ECLI:NL:RBDHA:2017:14385
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid Eritrese nationaliteit en geen risico in Somalië
Eiser, een minderjarige, verzocht om een verblijfsvergunning asiel en stelde Eritrese nationaliteit te hebben via zijn vader, die volgens hem in Somalië problemen ondervond vanwege zijn naam. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat hij de Eritrese nationaliteit bezit en onvoldoende kennis had over zijn vader. Daarnaast werd het risico op vervolging in Somalië getoetst.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde van zijn Eritrese nationaliteit en dat hij onvoldoende informatie kon geven over zijn vader, ondanks het samenwonen tot 2015. De rechtbank volgde verweerder in de conclusie dat eiser Somalische nationaliteit heeft en dat het beroep op een onveilige situatie in Somalië niet leidde tot een beschermingsbehoefte.
Ook werd vastgesteld dat eiser een netwerk in Somalië heeft via familieleden van moederszijde, waardoor het risico op ernstige schade niet aannemelijk was. Het ambtsbericht over de veiligheidssituatie in Somalië gaf geen aanleiding tot een andere beoordeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep op de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van de Eritrese nationaliteit en onvoldoende risico in Somalië.