ECLI:NL:RBDHA:2017:14572

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 december 2017
Publicatiedatum
11 december 2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3973
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Verplaatsingskostenbesluit militairenArt. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechtenArt. 1 Grondwet
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen terugwerkende kracht voor tegemoetkomingen eigen huishouding militairen na CRvB-uitspraak

Eiser verzocht verweerder om met terugwerkende kracht tegemoetkomingen toe te kennen voor de periode van november 2009 tot augustus 2013 met betrekking tot het voeren van een eigen huishouding. Verweerder wees dit verzoek af, stellende dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van november 2014, waarin het vereiste van het voeren van een eigen huishouding buiten toepassing werd verklaard wegens strijd met internationale verdragsbepalingen, niet met terugwerkende kracht geldt.

De rechtbank overwoog dat besluiten waartegen niet tijdig bezwaar is gemaakt, in rechte onaantastbaar zijn, ook als latere jurisprudentie een andere uitleg geeft. Dit is in lijn met vaste rechtspraak van de CRvB uit 2017. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat de situaties van eiser verschillen van die van collega’s die wel hoger beroep instelden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter Dop op 8 december 2017. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de CRvB.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en terugwerkende kracht wordt niet toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/3973 MAW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F. Vink).

Procesverloop

Bij rekest van 21 april 2015 heeft eiser verweerder verzocht hem met terugwerkende kracht in aanmerking te laten komen voor tegemoetkomingen behorende bij het voeren van een eigen huishouding.
Bij besluit van 5 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het rekest afgewezen.
Daartegen heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.
Bij besluit van 15 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2017.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1
Op 9 augustus 2013 heeft verweerder eiser de maandelijkse tegemoetkoming behorende bij het voeren van een eigen huishouding toegekend.
Hiertegen heeft eiser geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte vast staat.
1.2
Bij rekest van 21 april 2015 heeft eiser verweerder verzocht hem met terugkerende kracht voor de periode 14 november 2009 tot 12 augustus 2013 in aanmerking te laten komen voor tegemoetkomingen behorende bij het voeren van een eigen huishouding.
2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat ten aanzien van eiser niet met terugwerkende kracht gevolg behoeft te worden gegeven aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna CRvB) van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3762), waarin is geoordeeld dat de in artikel 20 van Pro het Verplaatsingskostenbesluit militairen (VKBM) neergelegde eis van het voeren van een eigen huishouding wegens strijd met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 1 van Pro de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten. Voorts heeft verweerder het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen.
3 De rechtbank overweegt het volgende.
De CRvB is op 2 maart 2017 in een aantal uitspraken (ECLI:NL:CRVB:2017:851, ECLI:NL:CRVB:2017:852, ECLI:NL:CRVB:2017:853, ECLI:NL:CRVB:2017:862) nader ingegaan op zijn eerdergenoemde uitspraak van 24 november 2014.
Daarbij heeft de CRvB onder meer overwogen dat volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3985) de inhoud van inmiddels tot stand gekomen rechtspraak op zichzelf geen grond vormt voor het doorbreken van het in rechte onaantastbaar zijn van besluiten waartegen niet in rechte is opgekomen. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat de enkele omstandigheid dat in een rechterlijke uitspraak aan een wettelijk voorschrift een bepaalde uitleg wordt gegeven, niet betekent dat alle voorafgaande toepassingen van dat voorschrift in overeenstemming met die (nieuwe) uitleg moeten worden gebracht. Dergelijke verstrekkende gevolgen van rechterlijke uitspraken zouden de rechtszekerheid te zeer aantasten.
Met inachtneming van die jurisprudentie van de CRvB overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet gehouden was om eiser met terugkerende kracht voor de periode 14 november 2009 tot 12 augustus 2013 in aanmerking te laten komen voor tegemoetkomingen behorende bij het voeren van een eigen huishouding.
Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank met verweerder van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen, aangezien de collega’s waar de uitspraak van de CRvB van 24 november 2014 op zag, niet hadden berust in een eerdere afwijzing van hun rekest om tegemoetkomingen behorende bij het voeren van een eigen huishouding. Hun rekesten waren afgewezen en tegen de in bezwaar gehandhaafde besluiten hebben zij beroep bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep ingesteld.
Het door eiser in zijn nadere gronden van 11 juli 2016 genoemde arrest van het Hof van Justitie EG van 13 januari 2004 maakt het vorenstaande niet anders, reeds nu in dit geval geen ‘uitlegging door het Hof van een relevante bepaling van gemeenschapsrecht’ heeft plaatsgevonden waar verweerder rekening mee zou moeten houden.
4 Het beroep is ongegrond.
5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.