ECLI:NL:RBDHA:2017:14710
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs wederrechtelijke vrijheidsberoving
Op 19 augustus 2016 was het slachtoffer enige tijd in de woning van verdachte. De officier van justitie beschuldigde verdachte van opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving, omdat verdachte het slachtoffer niet zou hebben toegestaan de woning te verlaten en hem had gedwongen op de bank te blijven zitten.
De verdediging stelde dat verdachte slechts de fiets van het slachtoffer wilde repareren en geen opzet had tot vrijheidsberoving. De verklaringen van het slachtoffer waren onvoldoende ondersteund door ander bewijs, en getuigen verklaarden slechts wat zij van het slachtoffer hadden gehoord.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs uitsluitend bestond uit de verklaring van het slachtoffer, zonder onafhankelijke bevestiging. Het meenemen van de fiets en het dichtdoen van de deur waren onvoldoende om opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving aan te tonen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij. De gang van zaken was een grove inschattingsfout, maar niet strafbaar als vrijheidsberoving.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van wederrechtelijke vrijheidsberoving.