Het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland keurde op 9 november 2017 het Faunabeheerplan smient Zuid-Holland 2017-2023 goed. Verzoeksters, de Natuur en Milieufederatie Zuid-Holland en de Vogelbescherming, maakten bezwaar tegen dit besluit en vroegen om een voorlopige voorziening. Zij stelden dat het plan niet voldoet aan wettelijke eisen, onder meer vanwege onvoldoende inzicht in het advies van een wetenschapper, onduidelijkheden over het bestuur van de faunabeheereenheid en het ontbreken van een deugdelijke motivering omtrent de staat van instandhouding van de smient.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake is van een spoedeisend belang omdat het besluit direct rechtsgevolg heeft en smienten al worden afgeschoten. Hoewel sommige aangevoerde bezwaren nader onderzoek behoeven, bestaat er sterke twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit vanwege onvoldoende motivering over de staat van instandhouding en het ontbreken van overleg met andere provincies. De rechter stelde dat het besluit niet zonder meer in stand kan blijven bij heroverweging in bezwaar.
Daarom werd het primaire besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten. Deze uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter D.R. van der Meer op 21 december 2017 en is niet vatbaar voor beroep.