ECLI:NL:RBDHA:2017:15541
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. van Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige bekering tot Quannengshen en niet-onverwijld melden
Eiser, een Chinese nationaliteit dragende man, vroeg asiel aan in Nederland op grond van zijn bekering tot het christendom en de Quannengshen-geloofsgemeenschap. Hij stelde dat hij vanwege vervolging in China was gevlucht.
De staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de bekering niet geloofwaardig werd geacht en eiser zich niet onverwijld had gemeld na het verlopen van zijn visum. De rechtbank bevestigde deze beoordeling, waarbij zij verwees naar de vaste gedragslijn omtrent geloofwaardigheidstoetsing van bekeringen.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende onderbouwde motieven en kennis van het geloof had aangetoond, vooral ten aanzien van de Quannengshen. Ook het late melden van zijn asielverzoek deed afbreuk aan zijn geloofwaardigheid.
Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de verplichting voor eiser om Nederland binnen vier weken te verlaten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond.