ECLI:NL:RBDHA:2017:15881
Rechtbank Den Haag
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding kosten rechtsbijstand politieambtenaar door Staat
Een politieambtenaar verzocht de rechtbank om vergoeding van de kosten van zijn rechtsbijstand, welke kosten door zijn werkgever, de nationale politie, waren voldaan. De raadsman stelde dat deze betaling als een voorschot moest worden gezien, dat terugbetaald zou worden indien de kosten op derden (de Staat) konden worden verhaald. De rechtbank oordeelde echter dat uit de toepasselijke regelgeving niet volgt dat sprake is van een voorschot en dat de kosten niet ten laste van verzoeker zijn gekomen.
De strafzaak tegen verzoeker was geseponeerd, en het verzoek was tijdig ingediend. Artikel 69a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie bepalen dat de werkgever de kosten van rechtsbijstand draagt, zonder voorwaarden die een voorschot impliceren. De rechtbank concludeerde dat artikel 591a Sv alleen toepassing vindt indien de kosten daadwerkelijk door de gewezen verdachte zijn gedragen, wat hier niet het geval was.
Hoewel het Gerechtshof Den Haag in een vergelijkbare zaak anders had beslist, achtte de rechtbank dat dit niet afdoet aan het uitgangspunt dat bij betaling door de werkgever geen vergoeding door de Staat verschuldigd is. De rechtbank wees ook het verzoek tot vergoeding van kosten voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift af, omdat deze kosten eveneens door de werkgever gedragen dienen te worden.
De rechtbank benadrukte dat het aan de wetgever is om regelgeving te wijzigen indien men vindt dat de huidige situatie onwenselijk is. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand door de Staat wordt afgewezen omdat deze kosten door de werkgever zijn betaald.