De rechtbank Den Haag behandelde het kort geding van een veroordeelde die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar ondergaat wegens een dodelijk verkeersongeval onder invloed van alcohol. De veroordeelde is terminale ziek met een levensverwachting van twee tot zes maanden en verzocht om onmiddellijke invrijheidsstelling op humane gronden.
Eerdere verzoeken om strafonderbreking en een gratieverzoek werden afgewezen op advies van medische experts en het ressortsparket, mede vanwege de maatschappelijke impact en de belangen van de nabestaanden. De medisch adviseur van de Dienst Justitiële Inrichtingen stelde dat de veroordeelde nog steeds detentiegeschikt is en dat alle benodigde medische zorg binnen detentie beschikbaar is, inclusief plaatsing in het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg.
De rechtbank overweegt dat de veroordeelde meerdere rechtsmiddelen heeft om verlof of strafonderbreking te verkrijgen, en dat de civiele rechter geen rol heeft bij de beoordeling van dergelijke verzoeken. Ook is de situatie niet vergelijkbaar met jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, omdat de medische zorg in detentie adequaat is.
De rechtbank wijst het verzoek af en benadrukt dat de Staat rekening mag houden met de impact van terugkeer van de veroordeelde in de gemeenschap, met name op de nabestaanden. De veroordeelde wordt veroordeeld in de proceskosten.