De rechtbank Den Haag behandelde een kort geding waarin eiser vorderde dat de executie van zijn gevangenisstraf zou worden geschorst totdat de Staat had voldaan aan door het Bureau Individuele Medische Advisering (BIMA) gestelde voorwaarden. Eiser was veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens witwassen en stelde dat hij de oproep voor executie niet had ontvangen en dat er geen overleg had plaatsgevonden tussen de psycholoog van de penitentiaire inrichting en zijn behandelaar.
De Staat betwistte dat de oproep niet was ontvangen en stelde dat de oproep correct was verzonden naar het huisadres van eiser. De rechtbank oordeelde dat eiser het niet-ontvangen van de oproep niet aannemelijk had gemaakt en dat hij zich niet had gemeld, waarna hij terecht in het opsporingsregister werd opgenomen en aangehouden.
Daarnaast stelde de Staat dat het overleg tussen de psycholoog van de inrichting en de behandelaar inmiddels had plaatsgevonden en dat eiser detentiegeschikt werd geacht. De rechtbank concludeerde dat de belangen van eiser niet waren geschaad en wees de vordering af. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.