ECLI:NL:RBDHA:2017:15904

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2017
Publicatiedatum
22 januari 2018
Zaaknummer
NL17.11406
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 18 DublinverordeningArt. 3 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening

Eiser, een Iraakse nationaliteit dragende vreemdeling, heeft op 6 juni 2017 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser stelde dat een terugkeer naar Duitsland een reëel risico inhoudt op schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, vanwege zijn psychische problemen en de behandeling die hij in Duitsland zou hebben ontvangen. Hij verwees daarbij naar het arrest van het EU Hof van Justitie van 16 februari 2017 (C-578/16, C.K. – Slovenië).

De rechtbank oordeelde dat eiser in Duitsland opvang, scholing en medische behandeling heeft ontvangen, waaronder medicatie voor zijn psychische aandoening. Er is geen aannemelijk gemaakt dat overdracht naar Duitsland een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand zou veroorzaken. Het beroep op het EU Hof-arrest faalt en het beroep wordt ongegrond verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigt dat Nederland terecht Duitsland als verantwoordelijke lidstaat heeft aangewezen. Het feit dat eiser in Nederland familie heeft, verandert hieraan niets.

De uitspraak is gedaan door rechter M. Soffers en griffier J.C. de Grauw op 20 november 2017.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.11406

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Spapens),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.11407, plaatsgevonden op 16 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is D. Al Marami als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland. Op 6 juni 2017 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe aangevoerd dat hij bij gedwongen terugkeer naar Duitsland een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van een schending van artikel 3 en Pro artikel 13 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Eiser kampt met psychische problemen en gebruikt medicatie. Uit informatie van de Duitse autoriteiten blijkt dat eiser een Borderline persoonlijkheidsstoornis heeft van het impulsieve type. In het verleden is sprake geweest van automutilatie en een suïcidepoging. Eiser beroept zich op het arrest van het EU Hof van Justitie van 16 februari 2017 (C-578/16, C.K. – Slovenië).
4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 25 mei 2016 in Duitsland een asielverzoek heeft ingediend, welk asielverzoek op 26 mei 2017 door de Duitse autoriteiten is afgewezen. Verweerder heeft de Duitse autoriteiten verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. De Duitse autoriteiten hebben het claimverzoek gehonoreerd.
5.1.
In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat eiser bij overdracht naar Duitsland een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van Pro het Handvest. Uit eisers relaas blijkt dat eiser in Duitsland opvang, scholing en geld heeft gekregen. Daarnaast heeft eiser verklaard tijdens zijn verblijf in Duitsland legaal te hebben gewerkt. Met betrekking tot eisers betoog dat hij in Duitsland niet de benodigde behandeling krijgt voor zijn psychische problemen, overweegt de rechtbank dat uit eisers eigen verklaringen blijkt dat hij in Duitsland voor zijn fysieke en psychische klachten Risperidon (anti schizofrenie medicijn), Ibuflam (ontstekingsremmend en pijnstillend medicijn) en Diclofenac (pijnstiller) toegediend heeft gekregen en deze medicijnen ook in Nederland nog gebruikt. Hieruit valt af te leiden dat eiser in Duitsland toegang heeft tot de gezondheidszorg. Eiser heeft zijn stelling dat de overdracht naar Duitsland een dermate ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand zou opleveren, evenmin aannemelijk gemaakt. Het beroep op het arrest van het EU Hof van Justitie van 16 februari 2017 (C-578/16, C.K. – Slovenië) faalt.
Verweerder heeft op goede gronden kunnen concluderen dat Duitsland verantwoordelijk is voor eisers asielverzoek en dat er geen sprake is van systeem gerelateerde tekortkomingen van het asielsysteem in Duitsland die ertoe zouden moeten leiden dat Nederland alsnog eisers asielverzoek aan zich zou moeten trekken. Dat eiser hier in Nederland familie heeft wonen waar hij op terug kan vallen, maakt het voorgaande niet anders.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel