ECLI:NL:RBDHA:2017:15904
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening
Eiser, een Iraakse nationaliteit dragende vreemdeling, heeft op 6 juni 2017 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser stelde dat een terugkeer naar Duitsland een reëel risico inhoudt op schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, vanwege zijn psychische problemen en de behandeling die hij in Duitsland zou hebben ontvangen. Hij verwees daarbij naar het arrest van het EU Hof van Justitie van 16 februari 2017 (C-578/16, C.K. – Slovenië).
De rechtbank oordeelde dat eiser in Duitsland opvang, scholing en medische behandeling heeft ontvangen, waaronder medicatie voor zijn psychische aandoening. Er is geen aannemelijk gemaakt dat overdracht naar Duitsland een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand zou veroorzaken. Het beroep op het EU Hof-arrest faalt en het beroep wordt ongegrond verklaard.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigt dat Nederland terecht Duitsland als verantwoordelijke lidstaat heeft aangewezen. Het feit dat eiser in Nederland familie heeft, verandert hieraan niets.
De uitspraak is gedaan door rechter M. Soffers en griffier J.C. de Grauw op 20 november 2017.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling.