ECLI:NL:RBDHA:2017:16285
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op ambtshalve verlening verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM
Eiser, een burger van Oekraïne, heeft een asielaanvraag ingediend die in 2016 werd afgewezen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen die afwijzing gegrond voor zover het ging om de weigering van een ambtshalve verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro, maar het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard.
Eiser woont samen met zijn Nederlandse echtgenote en hun in mei 2017 geboren dochter, die de Nederlandse nationaliteit bezit. Verweerder heeft het verzoek om een ambtshalve verblijfsvergunning afgewezen met het argument dat er geen sprake is van inmenging in het gezinsleven en dat het algemeen belang van een restrictief toelatingsbeleid zwaarder weegt.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een beschermenswaardig gezinsleven, maar dat het hier gaat om een eerste toelating, waardoor geen inmenging in de zin van artikel 8 EVRM Pro is. Alle relevante omstandigheden, waaronder het belang van het kind, zijn betrokken in de belangenafweging. De rechtbank vindt de belangenafweging zorgvuldig en evenwichtig, waarbij het belang van het kind zwaar weegt maar niet doorslaggevend is.
Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet heeft aangetoond dat de belangenafweging onzorgvuldig is geweest of dat sprake is van een schending van artikel 8 EVRM Pro. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een ambtshalve verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wordt ongegrond verklaard.