ECLI:NL:RBDHA:2017:16292
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw bij belastingdienstschulden
Verzoekster diende een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank beoordeelde of zij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Uit stukken en ter zitting bleek dat verzoekster kinderopvangtoeslag had ontvangen terwijl zij wist dat zij hier geen recht meer op had, en deze toeslag voor andere uitgaven had gebruikt.
De rechtbank oordeelde dat hierdoor onvoldoende aannemelijk was dat verzoekster te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van haar belastingdienstschulden. Verzoekster deed een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro, stellende dat zij sinds 2016 geen nieuwe schulden meer had gemaakt, een stabiele woonsituatie had en een opleiding had afgerond.
De rechtbank erkende de inspanningen van verzoekster sinds 2015, maar vond dat dit niet automatisch betekende dat zij de omstandigheden die tot de schulden hadden geleid onder controle had gekregen. De schuld aan de belastingdienst betrof een aanzienlijk deel van haar totale schuldenlast en was het gevolg van verwijtbaar handelen.
Daarom werd het beroep op de hardheidsclausule verworpen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw bij het ontstaan van de belastingdienstschulden.