Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[gedaagde sub 5],
[gedaagde sub 15],
[gedaagde sub 16],
1.De procedure
- de akte overlegging producties van Hennessy c.s., met producties 1 tot en met 82;
- het tegen gedaagden sub 1 tot en met 4 verleende verstek;
- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring zijdens [gedaagde sub 5] ;
- de incidentele conclusie van antwoord;
- de pleitnota’s van Hennessy c.s. en [gedaagde sub 5] , overgelegd tijdens het op 28 augustus 2017 gehouden pleidooi in het incident.
2.Vorderingen en grondslagen in de hoofdzaak
3.Het geschil in het bevoegdheidsincident
4.De beoordeling in het incident
“gerecht van de woonplaats”van (één van) de medegedaagden van [gedaagde sub 5] en bovendien (2) sprake is van een zodanig nauwe band met de vorderingen tegen die medegedaagde(n) dat een goede rechtsbedeling vraagt om een gelijktijdige behandeling en berechting teneinde tegenstrijdige beslissingen te voorkomen. Nu het hier gaat om een uitzondering op de hoofdregel van artikel 4 EEX Pro II-Vo geldt daarbij dat deze vereisten terughoudend dienen te worden uitgelegd [4] . Dit betekent onder meer dat het enkele feit dat zich divergerende uitspraken kunnen voordoen, onvoldoende is om te kunnen spreken van bedoelde nauwe band. Vereist is dat de divergentie zich kan voordoen in het kader van eenzelfde situatie, zowel feitelijk als rechtens, waarbij overigens niet is vereist dat de tegen de verschillende verweerders ingestelde vorderingen dezelfde rechtsgrond hebben. Bedoelde terughoudendheid bij de toepassing van artikel 8 brengt Pro echter weer wel mee dat de vereiste nauwe band in het bijzonder dient te bestaan tussen de vordering die is ingesteld tegen de verweerder met woonplaats in het gebied van de aangezochte rechtbank en de vordering tegen de verweerder voor wie de bevoegdheid gebaseerd moet worden op deze bepaling.
“gerecht van de woonplaats”van deze mede-gedaagden in de zin van artikel 8, aanhef en onder 1 EEX II-Vo. [5]
7 EEX II-Vo