ECLI:NL:RBDHA:2017:16358
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot wraking kantonrechter wegens vermeende partijdigheid afgewezen wegens te late indiening
In deze zaak heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die de hoofdzaak behandelde, waarin het geschil ging over achterstallige betalingen en betwisting van incassomachtigingen. De vermeende partijdigheid van de kantonrechter zou zich hebben voorgedaan tijdens de zitting van 24 maart 2017.
Het wrakingsverzoek werd echter pas op 12 april 2017 ingediend, bijna drie weken na de zitting. De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek te laat was, omdat artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorschrijft dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter kunnen schaden, bekend zijn geworden. Verzoekster had ter zitting direct tot wraking kunnen overgaan, maar deed dit niet.
De wrakingskamer nam mee dat er omstandigheden kunnen zijn die een latere indiening rechtvaardigen, maar verzoekster had dergelijke omstandigheden niet aangevoerd. Ook het feit dat zij op 27 maart 2017 om opheldering vroeg, maakte dit niet anders. De kamer verklaarde het verzoek daarom niet-ontvankelijk en bepaalde dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
De kantonrechter ontkende partijdigheid en stelde dat de aangevoerde gronden vooral betrekking hadden op inhoudelijke en ordebeslissingen die geen grond voor wraking kunnen vormen. De wrakingskamer bevestigde het uitgangspunt dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor het tegendeel. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2017.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.