ECLI:NL:RBDHA:2017:16735

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2017
Publicatiedatum
2 oktober 2019
Zaaknummer
5482509/16-29973
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens misbruik van procesrecht door eiseres in incassoprocedure

Invorderingsbedrijf B.V. vorderde betaling van een factuur van €211,75 van O&T Kindercentra B.V. op grond van een serviceovereenkomst incasso. O&T stelde dat de overeenkomst per 3 april 2016 was opgezegd en dat de factuur onterecht was. Invorderingsbedrijf erkende ter zitting dat de vordering geen stand hield, maar wilde de procedure niet doorhalen omdat O&T zich hiertegen verzette en misbruik van procesrecht aanvoerde.

De kantonrechter overwoog dat misbruik van procesrecht alleen kan worden aangenomen bij evidente ongegrondheid van de vordering en dat terughoudendheid geboden is vanwege het recht op toegang tot de rechter. Uit de correspondentie bleek dat Invorderingsbedrijf vóór dagvaarding bekend had moeten zijn met de opzegging van de overeenkomst. Desondanks werd de vordering opnieuw ingesteld, wat misbruik van procesrecht opleverde.

Daarom werd de vordering afgewezen en Invorderingsbedrijf veroordeeld in de volledige proceskosten. O&T kreeg de gelegenheid om haar gemaakte kosten te specificeren en onderbouwen, waarna verdere beslissing wordt aangehouden tot de rolzitting van 13 maart 2017.

Uitkomst: De vordering van Invorderingsbedrijf B.V. wordt afgewezen wegens misbruik van procesrecht en zij wordt veroordeeld in de volledige proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage
Rolnr.: 5482509 RL EXPL 16-29973
13 februari 2017
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Invorderingsbedrijf B.V.,gevestigd te ‘s-Gravenhage,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid O&T Kindercentra B.V.,
gevestigd te Wateringen,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. E.A. Jansen.

1.Procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 25 oktober 2016;
  • de conclusie van antwoord;
  • de in het geding gebrachte producties;
  • brieven van 2 en 6 december 2016 van de zijde van eiseres;
  • brief van 5 december 2016 van de zijde van gedaagde;
  • akte vermeerdering eis van de zijde van eiseres;
1.2.
Op 12 januari 2017 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen [gemachtigde] als gemachtigde van eisende partij en mevrouw [betrokkene] namens gedaagde partij, bijgestaan door gemachtigde E.A. Jansen. De kantonrechter heeft de akte vermeerdering eis ter comparitie geweigerd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2.Feiten

2.1.
Per 1 april 2015 is tussen Invorderingsbedrijf B.V. (Invorderingsbedrijf) en O&T een service overeenkomst incasso tot stand gekomen. O&T heeft de factuur van Invorderingsbedrijf ter hoogte van € 175,- voor het eerste jaar voldaan. Tussen partijen is vervolgens onder meer de volgende correspondentie gevoerd.
- E-mail van 5 juni 2015 van O&T aan Invorderingsbedrijf:
“Bij deze wil ik onze overeenkomst beëindigen per 3-4-2016. (…).”
- E-mail van 5 maart 2016 van Invorderingsbedrijf aan O&T:
“U heeft de samenwerking inderdaad opgezegd en het dossier gesloten, naar aanleiding waarvan wij ex art 9.3 van de voorwaarden hebben afgerekend. (…)”
- Factuur van 29 april 2016 met factuurnummer 12716547 ten bedrage van € 211,75 van Invorderingsbedrijf aan O&T.
- Betalingsherinnering van 9 mei 2016 van Invorderingsbedrijf aan O&T voor de factuur met factuurnummer 12716547.
- E-mails van 20 mei 2016 van O&T aan Invorderingsbedrijf:
“Mag ik u vragen waarom we deze e-mail ontvangen? (betreft factuurnummer 12716547).”
“Over welke serviceovereenkomst gaat het? De laatste aanmelding was in april 2015. Het was een 1-jarig contract en die is afgelopen in april 2016. Wij hebben het contract niet verlengd.”
- E-mail van 3 juni 2016 van Invorderingsbedrijf aan O&T:
“In uw contract staat dat uw contract automatisch wordt verlengd wanneer het niet is opgezegd. Vandaar dus de factuur.”
- E-mail van 6 juni 2016 van O&T aan Invorderingsbedrijf:
“Wij hebben wel opgezegd. Jullie kunnen de betreffende mail terugvinden in jullie administratie.”
- Betalingsherinneringen van 21 juni en 28 juli 2016 van Invorderingsbedrijf aan O&T voor factuur met factuurnummer 12716547.
2.2.
Op 8 september 2016 heeft Invorderingsbedrijf O&T gedagvaard. Op 19 september 2016 heeft de rechtbank een conclusie van antwoord van O&T ontvangen. De procedure heeft echter geen doorgang gevonden omdat Invorderingsbedrijf de zaak niet bij de rechtbank had aangebracht. Op 25 oktober 2016 heeft invorderingsbedrijf O&T opnieuw gedagvaard.

3.Vordering, grondslag en verweer

3.1.
Invorderingsbedrijf vordert veroordeling van O&T bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Invorderingsbedrijf te betalen een bedrag van in totaal € 267,66, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 211,75 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van O&T in de kosten van deze procedure daaronder begrepen het salaris van gemachtigde en de noodzakelijke verschotten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten.
3.2.
Invorderingsbedrijf heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat O&T, op grond van de service overeenkomst, gehouden is de factuur van 29 april 2016 met factuurnummer 12716547 ter hoogte van € 211,75 te voldoen. Ondanks diverse betalingsherinneringen heeft O&T de factuur echter onbetaald gelaten.
3.3.
O&T heeft hiertegen ingebracht dat zij de factuur niet verschuldigd is omdat zij de overeenkomst per 3 april 2016 heeft opgezegd. O&T heeft geconcludeerd dat Invorderingsbedrijf niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, althans dat haar vordering moet worden afgewezen, met veroordeling van Invorderingsbedrijf in de kosten van het geding.

4.Beoordeling

4.1.
Invorderingsbedrijf heeft ter comparitie bevestigd dat de factuur van 29 april 2016 met factuurnummer 12716547 ter hoogte van € 211,75 in rekening werd gebracht voor het verlengen van de overeenkomst. Zij heeft voorts erkend dat O&T de overeenkomst toen al had opgezegd, dat duidelijk is dat O&T geen klant meer is en dat de vordering zodoende geen stand zal houden. Invorderingsbedrijf wilde de procedure om deze reden laten doorhalen.
4.2.
De procedure is echter niet doorgehaald omdat O&T hier niet mee instemde. Zij heeft zich ter comparitie op het standpunt gesteld dat Invorderingsbedrijf misbruik heeft gemaakt van procesrecht en een vergoeding van de volledige proceskosten gevorderd.
4.3.
Nu Invorderingsbedrijf heeft erkend dat haar vordering geen stand zal houden, zal haar vordering worden afgewezen en stelt de rechtbank vast dat in deze procedure slechts nog de vraag voorligt of O&T aanspraak kan maken op vergoeding van de volledige proceskosten.
4.4.
De kantonrechter overweegt in dit kader dat een dergelijke vordering alleen voor toewijzing vatbaar is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM Pro.
4.5.
De kantonrechter overweegt vervolgens dat Invorderingsbedrijf haar vordering heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de overeenkomst automatisch wordt verlengd als deze niet is opgezegd. Nu Invorderingsbedrijf inmiddels heeft erkend dat de overeenkomst op 29 april 2016 (datum factuur) al was opgezegd en haar vordering daardoor geen stand houdt, is het de vraag of zij haar vordering heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen. In dit kader is van belang op welk moment Invorderingsbedrijf bekend was of had moeten zijn met de opzegging van de overeenkomst door O&T.
4.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter had Invorderingsbedrijf in elk geval vóór 25 oktober 2016, de dag van dagvaarding, bekend moeten zijn met de omstandigheid dat de overeenkomst per 3 april 2016 was opgezegd. Uit voornoemde correspondentie blijkt immers dat Invorderingsbedrijf reeds bij e-mail van 5 maart 2016 aan O&T heeft bevestigd dat de overeenkomst is opgezegd. Zelfs als Invorderingsbedrijf - om welke reden dan ook - niet meer over deze e-mail mocht beschikken, dan had zij in ieder geval op 19 september 2016 op de hoogte moeten zijn geweest van de opzegging door O&T. O&T heeft deze correspondentie immers bij haar conclusie van antwoord van 19 september 2016 overgelegd.
4.7.
Met het (opnieuw) instellen van haar vordering op 25 oktober 2016 is Invorderingsbedrijf hier echter aan voorbij gegaan. Zij heeft haar vordering zodoende gebaseerd op omstandigheden waarvan zij de onjuistheid behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Dat betekent dat zij misbruik van procesrecht heeft gemaakt.
4.8.
Gelet op het voorgaande kan O&T aanspraak maken op een volledige proceskostenvergoeding. In tegenstelling tot hetgeen Invorderingsbedrijf heeft aangevoerd, behoeven (volledige) proceskosten niet bij eis in reconventie te worden gevorderd.
4.9.
Nu O&T de door haar daadwerkelijk gemaakte kosten niet heeft gespecificeerd en daarvan ook geen onderbouwing heeft gegeven, zal zij worden toegelaten dit alsnog te doen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Beslissing
De kantonrechter:
- wijst af de vorderingen van Invorderingsbedrijf B.V.;
- veroordeelt Invorderingsbedrijf B.V. in de volledige kosten van deze procedure;
- laat O&T Kindercentra B.V. toe de daadwerkelijk gemaakte proceskosten te specificeren en te onderbouwen;
- houdt iedere verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar de rolzitting van
13 maart 2017.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.F. Dam en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2017.