ECLI:NL:RBDHA:2017:2010
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
De zaak betreft een geschil over de intrekking en terugvordering van een bijstandsuitkering van eiser door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Verweerder heeft de uitkering met ingang van 17 december 2009 ingetrokken en teruggevorderd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met zijn partner, hetgeen eiser betwist.
De rechtbank stelt vast dat eiser en zijn partner een relatie hadden en samen twee kinderen kregen. Uit onderzoek en verklaringen blijkt dat eiser vanaf januari 2012 zijn hoofdverblijf had op het adres van zijn partner en dat zij vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voerden. Voor de periode van 17 december 2009 tot en met 31 december 2011 is onvoldoende bewijs dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de uitkering heeft ingetrokken en teruggevorderd voor de periode vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 augustus 2015. Voor de eerdere periode moet verweerder een nieuw besluit nemen. De rechtbank past de bestuurlijke lus toe en geeft verweerder de gelegenheid het gebrek te herstellen. De brutering van de terugvordering blijft onbesproken omdat eiser daartegen geen beroepsgronden heeft aangevoerd.
De uitspraak is een tussenuitspraak, waartegen nog geen rechtsmiddel openstaat. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan in afwachting van de uitkomst van de bestuurlijke lus.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering is terecht voor de periode vanaf 1 januari 2012, maar onterecht voor de periode daarvoor.