ECLI:NL:RBDHA:2017:2060

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2017
Publicatiedatum
6 maart 2017
Zaaknummer
16/26560
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.W. Ente
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 8 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden wegens onvoldoende bewijs huiselijk geweld

Eiser, een Sri Lankaans staatsburger, diende een aanvraag in tot wijziging van zijn verblijfsvergunning naar niet-tijdelijke humanitaire gronden omdat hij slachtoffer zou zijn van huiselijk geweld binnen zijn huwelijk. Verweerder wees deze aanvraag af en trok tevens de verblijfsvergunning in onder de beperking verblijf bij echtgenote, omdat de relatie was verbroken en eiser onvoldoende bewijs leverde van huiselijk geweld.

Eiser voerde aan dat hij niet verplicht kon worden aangifte te doen, dat het ontbreken van het woord 'kennelijk' in het besluit een schending van de hoorplicht betekende en dat zijn asielmotieven ten onrechte niet werden meegewogen. Verweerder erkende dat het paspoortargument onjuist was, maar handhaafde verder het standpunt.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het bezwaar ongegrond verklaarde. De relatie was verbroken, eiser voldeed niet aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning en de bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 Awb Pro waren onvoldoende om van beleid af te wijken. Ook was geen sprake van schending van artikel 8 EVRM Pro, omdat eiser geen bijzondere binding met Nederland had en terugkeer naar Sri Lanka mogelijk was.

De rechtbank vond dat de hoorplicht niet was geschonden en dat de asielmotieven via een aparte procedure konden worden ingebracht. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 16/26560
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 2 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. E. Derksen,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.S. Poelman.

Procesverloop

Eiser heeft op 16 november 2016 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 oktober 2016 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft op 24 januari 2017 een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft bij brief van 29 januari 2017 in reactie op het verweerschrift een pleitnotitie ingediend. Verweerder heeft daar bij brief van 30 januari 2017 op gereageerd.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 30 januari 2017. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Tevens was aanwezig C. Sermanapper, tolk in de taal Tamil. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Sri Lankaanse nationaliteit.
Op 14 februari 2013 is eiser in Colombo getrouwd met [echtgenote], geboren op [geboortedatum] te Chavakachcheri (Sri Lanka). Met ingang van 18 oktober 2013 heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote [echtgenote]’ verleend. Op 23 mei 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend tot wijziging van zijn verblijfsvergunning in de beperking ‘niet tijdelijke humanitaire gronden’, omdat hij slachtoffer stelt te zijn van huiselijk geweld. Bij besluit van 29 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen en tevens de onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [echtgenote]’ verleende verblijfsvergunning van eiser ingetrokken per 23 mei 2016.
2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiser niet met de vereiste bewijsmiddelen zoals genoemd in paragraaf B8/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft aangetoond dat de relatie met zijn echtgenote vanwege huiselijk geweld is verbroken. Bovendien beschikt eiser niet over een geldig paspoort, wat ook een afwijzingsgrond is. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op grond waarvan verweerder van voornoemd beleid af had moeten wijken. Met betrekking tot eisers privéleven stelt verweerder zich op het standpunt dat afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor zover eiser stelt dat hij niet kan terugkeren naar Sri Lanka vanwege de problemen die hij daar heeft ondervonden, dient eiser een asielaanvraag in te dienen.
3. Eiser heeft daartegen in beroep het volgende aangevoerd. Op de eerste pagina van het bestreden besluit staat dat het bezwaar ongegrond is, zodat er sprake is van een schending van de hoorplicht. Dat eiser niet over een geldig paspoort beschikt, is feitelijk onjuist. Verder stelt eiser dat hij voldoende heeft aangetoond dat zijn relatie vanwege huiselijk geweld is beëindigd en dat van hem niet gevergd kan worden dat hij aangifte doet. Eiser beroept zich in dit kader op artikel 4:84 van Pro de Awb. Voorts heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een schending van artikel 8 van Pro het EVRM. Tot slot betoogt eiser dat zijn asielmotieven ten onrechte niet bij de beoordeling zijn betrokken.
4. In het verweerschrift heeft verweerder vastgesteld dat in het bestreden besluit ten onrechte is geconcludeerd dat eiser niet beschikt over een geldig paspoort. Dit wordt daarom niet langer aan eiser tegengeworpen. Dat op de eerste pagina van het bestreden besluit het woord ‘kennelijk’ ontbreekt, maakt niet dat sprake is van een schending van de hoorplicht. Voor het overige handhaaft verweerder het standpunt zoals verwoord in het bestreden besluit.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Niet in geschil is dat de relatie tussen eiser en zijn echtgenote is verbroken, zodat eiser niet meer voldoet aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning en verweerder deze mocht intrekken.
6. Voorts is niet in geschil is dat eiser niet met één van de bewijsmiddelen als bedoeld in paragraaf B8/2.3 van de Vc heeft aangetoond dat er in zijn huwelijk sprake was van huiselijk geweld. Ter beoordeling staat of verweerder op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb van dit beleid had moeten afwijken.
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder zich in het bestreden besluit onder verwijzing naar inmiddels verouderde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 februari 2005 (200403595/1) ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bij bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van Pro de Awb dient te gaan om omstandigheden waarmee bij de totstandkoming van het beleid geen rekening is gehouden en daarin derhalve niet zijn verdisconteerd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840) volgt namelijk dat thans, anders dan voorheen, omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, niet reeds daarom buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Daartoe heeft de Afdeling overwogen dat in de praktijk blijkt dat ook al heeft het betrokken bestuursorgaan bij het opstellen van de beleidsregel deze omstandigheden bezien, het daarmee niet heeft kunnen voorzien of deze omstandigheden alleen of tezamen in een concreet geval niettemin tot onevenredige gevolgen leiden. Het bestuursorgaan dient derhalve alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van Pro de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, ondanks deze onjuiste verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling uit 2005, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde bijzondere omstandigheden niet zo bijzonder zijn dat afwijzing van de aanvraag leidt tot onevenredige gevolgen. Eisers stelling dat hij geen aangifte wil doen omdat hij de situatie zo snel mogelijk achter zich wil laten, onder behandeling staat bij een psycholoog en vreest voor de familieleden van zijn ex-echtgenote, is daartoe onvoldoende.
9. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Daartoe heeft verweerder er terecht op gewezen dat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden het weigeren of beëindigen van een verblijfsrecht leidt tot een schending van het recht op privéleven. Eiser verblijft relatief kort in Nederland en er is niet gebleken van een bijzondere binding met Nederland die een normale binding overstijgt. Dat eiser is ingeburgerd en in zijn eigen levensonderhoud heeft voorzien door deel te nemen aan de Nederlandse arbeidsmarkt, heeft verweerder daartoe onvoldoende kunnen achten. Voorts heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser het grootste deel van zijn leven in Sri Lanka heeft doorgebracht en niet is gebleken van onoverkomelijke of bijzondere obstakels om zich daar opnieuw te vestigen. Dat zijn moeder, broer en zus in Duitsland leven maakt dit niet anders, te meer daar zijn vader en oom in Sri Lanka wonen.
10. Ten aanzien van eisers asielmotieven heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser deze naar voren kan brengen in een asielprocedure indien hij een daartoe strekkende aanvraag indient, nu asielmotieven nader onderzoek vergen waarvoor de reguliere procedure zich niet leent.
11. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een schending van de hoorplicht. Dat het woord ‘kennelijk’ ontbreekt op de eerste bladzijde van het bestreden besluit, is daartoe onvoldoende. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder op bladzijde vier van het bestreden besluit heeft geconcludeerd dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en eiser daarom niet is gehoord. Gelet op de inhoud van het primaire besluit en wat daartegen in bezwaar is aangevoerd, is verweerder terecht tot deze conclusie gekomen.
12. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden aan partijen op: