De zaak betreft het opleggen van nadere voorwaarden aan het gebruik van de Rijksweg A4 tussen Delft en Schiedam, specifiek de (half) verdiepte ligging, op grond van het Bouwbesluit 2012. Verweerder stelde in 2015 nadere voorwaarden aan het gebruik op basis van een gebruiksmelding, die door eiseres en de minister werden bestreden. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen procesbelang meer heeft vanwege ontmanteling, maar de minister wel.
De rechtbank stelt vast dat de (half) verdiepte ligging als bouwwerk geldt en dat een gebruiksmelding vereist was. Verweerder is bevoegd nadere voorwaarden te stellen, maar alleen indien deze noodzakelijk zijn voor brandveiligheid. De meeste nadere voorwaarden zijn echter dubbelop, onduidelijk of niet noodzakelijk, zoals voorwaarden over onderhoud, verlichting, afsluiting, snelheid en calamiteitenplannen.
Uiteindelijk vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover nadere voorwaarden 1 tot en met 15 zijn gesteld. Nadere voorwaarde 16 wordt aangepast door het schrappen van een zinssnede. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van de minister.