Uitspraak
Rechtbank den haag
,
Rechtbank Den Haag
Eiser, die een ISD-maatregel onderging, vorderde in kort geding dat de executie van zijn openstaande straffen en maatregelen zou worden opgeschort na het beëindigen van deze maatregel. Hij stelde dat toezeggingen waren gedaan op grond waarvan hij mocht vertrouwen op opschorting, en dat de ISD-maatregel niet positief was verlopen door onvoldoende hulp en cocaïnegebruik. De Staat voerde gemotiveerd verweer en stelde dat de executie op grond van wettelijke verplichtingen moest worden hervat.
De rechtbank overwoog dat de ISD-maatregel van rechtswege was geëindigd en dat de officier van justitie gehouden was tot executie van de openstaande straffen. De vermeende toezeggingen konden niet worden aangemerkt als bindend, mede omdat recidive slechts als voorbeeld was genoemd. Verder was de ISD-maatregel niet positief verlopen, onder meer door het niet naleven van afspraken en cocaïnegebruik.
Daarnaast wees de rechtbank het beroep op de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers af, omdat de situatie van eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor opschorting. Het verzoek tot opschorting werd daarom afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot opschorting van de executie van openstaande straffen na beëindiging van de ISD-maatregel wordt afgewezen.