De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van poging tot doodslag en het bezit van cocaïne. Op 2 mei 2016 zou verdachte [benadeelde] met een mes hebben gestoken, wat leidde tot een forse steekwond. Daarnaast werd verdachte verdacht van het dealen en aanwezig hebben van cocaïne.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor opzet tot doodslag, maar wel voor poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte voerde een beroep op noodweer aan, omdat hij zich verdedigde tegen een aanval met een klauwhamer en mes door [benadeelde]. Dit beroep werd gehonoreerd, waardoor verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging voor het steken.
Ten aanzien van het bezit van cocaïne vond de rechtbank voldoende bewijs dat verdachte op 2 mei 2016 bewust cocaïne in zijn woning had, hoewel onvoldoende bewijs was voor dealen. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege onvoldoende onderbouwing.