ECLI:NL:RBDHA:2017:395
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens onvoldoende onderbouwing vorderingen
Verzoeksters, bestaande uit drie stichtingen verbonden aan de bouwnijverheid, hebben een verzoek tot faillietverklaring ingediend tegen verweerster wegens het niet betalen van niet-afgedragen premies.
De rechtbank heeft het verzoek behandeld en beoordeeld of de vorderingen van de verzoeksters voldoende zijn onderbouwd. De vorderingen zijn gebaseerd op een vonnis van 4 september 2013, waarin verweerster is veroordeeld tot betaling van een bedrag aan niet-afgedragen premies over een periode die grotendeels buiten de in het faillissementsrekest genoemde periode valt.
De rechtbank oordeelt dat de vorderingen niet summierlijk zijn komen vast te staan omdat het vonnis betrekking heeft op een andere periode dan die waarvoor het faillissementsrekest is ingediend. Bovendien ontbreekt de vereiste pluraliteit van vorderingsrechten, aangezien het vonnis slechts een betaling aan Bpf c.s. betreft en niet aan de drie afzonderlijke verzoeksters.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld via een advocaat bij het gerechtshof te Den Haag.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de vorderingen.