ECLI:NL:RBDHA:2017:4164

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2017
Publicatiedatum
21 april 2017
Zaaknummer
17/6822
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 17 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013Art. 18, eerste lid, aanhef en onder b, Dublinverordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Italië volgens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Italië verantwoordelijk wordt geacht op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit Eurodac blijkt dat het asielverzoek van eiser op 23 december 2016 in Italië is geregistreerd.

Eiser heeft onvoldoende tegenbewijs geleverd om aan te tonen dat hij geen asielverzoek in Italië heeft ingediend. Daarnaast is gebleken dat Italië heeft ingestemd met de terugname van eiser. De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waardoor Nederland mag vertrouwen op de naleving van verdragsverplichtingen door Italië.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Italië zijn verplichtingen niet nakomt of dat er sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of opvangvoorzieningen. Ook zijn persoonlijke omstandigheden bieden onvoldoende grond om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te doorbreken. Daarom is Nederland niet verplicht de asielaanvraag aan zich te trekken en wordt het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Italië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/6822
V-nummer: [nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 april 2017 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr L.J.T. van Es.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Italië daarvoor verantwoordelijk wordt geacht.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij een voorlopige voorziening gevraagd ter voorkoming van overdracht aan Italië hangende het beroep.
Het beroep is ter zitting behandeld op 13 april 2017, tegelijk met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer AWB 17/6823. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.
2. Uit Eurodac is gebleken dat sprake is van een treffer op 23 december 2016, beginnend met “IT1”. Dit begincijfer wordt gebruikt indien een verzoek om internationale bescherming wordt ingediend. Met deze treffer heeft verweerder dus bewijs van de indiening van het asielverzoek van eiser geleverd. Eiser heeft geen tegenbewijs geleverd anders dan de enkele stelling dat hij geen asielverzoek heeft ingediend in Italië. Naar het oordeel van de rechtbank is deze enkele stelling onvoldoende. Bovendien heeft Italië ingestemd met terugname van eiser op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Gelet hierop is Italië terecht verantwoordelijk geacht voor de behandeling van het asielverzoek van eiser.
3. In geschil is verder of verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de asielaanvraag van eiser aan zich had moeten trekken.
4. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat Italië dat niet doet. Eiser is hier niet in geslaagd.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraken van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278) en, laatstelijk, 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Eiser heeft niets ingebracht ter ondersteuning van zijn stelling dat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Ook uit het persoonlijke relaas van eiser is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
6. De slotsom is dat Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag niet aan zich heeft hoeven trekken.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier, op 13 april 2017.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.