ECLI:NL:RBDHA:2017:4216
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen stillegging kapperswerkzaamheden wegens recidive Wet arbeid vreemdelingen
Verzoeker is door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bevolen om alle kapperswerkzaamheden in zijn onderneming voor de duur van een maand stil te leggen vanwege recidive in overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Dit besluit volgt op eerdere boetes en een schriftelijke waarschuwing.
Verzoeker betoogt dat het opleggen van zowel een boete als een stilleggingsbevel in strijd is met het ne bis in idem-beginsel en dat de maatregel disproportioneel is, omdat zijn bedrijfsvoering direct gevaar loopt en er zicht is op legalisatie van de situatie. De voorzieningenrechter oordeelt dat het stilleggingsbevel een herstelsanctie is en geen straf, waardoor het ne bis in idem-beginsel niet wordt geschonden.
Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom de stillegging proportioneel is, mede gezien de recidive en het feit dat dezelfde vreemdeling wederom zonder tewerkstellingsvergunning is ingezet. De belangen van verzoeker wegen minder zwaar dan de belangen die de Wav beoogt te beschermen.
De voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en het primaire besluit zal naar verwachting in bezwaar standhouden. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het stilleggingsbevel en de boete wordt afgewezen.