ECLI:NL:RBDHA:2017:4538

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 april 2017
Publicatiedatum
2 mei 2017
Zaaknummer
09/827116-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 8 EVRMArt. 1 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 16 Besluit DNA-onderzoek in strafzaken
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring bezwaar tegen DNA-afname bij veroordeelde medeplichtige aan diefstal met geweld

De veroordeelde werd door de meervoudige strafkamer veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf wegens medeplichtigheid aan diefstal met geweld. Op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden werd celmateriaal afgenomen om een DNA-profiel vast te stellen. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze DNA-afname en verwerking, stellende dat er sprake was van een uitzondering op grond van artikel 2 van Pro de Wet DNA, mede vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en het ingrijpende karakter van de maatregel.

De rechtbank oordeelde dat de uitzonderingsgrond niet van toepassing is omdat het misdrijf, medeplichtigheid aan diefstal met geweld, geschikt is voor DNA-onderzoek en de persoonlijke omstandigheden onvoldoende aanleiding geven tot een uitzondering. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad die de uitzonderingsgrond strikt interpreteert.

Verder overwoog de rechtbank dat de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden voldoet aan de eisen van artikel 8 EVRM Pro en dat het bezwaar tegen de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer daarom ongegrond is. Het subsidiaire verzoek tot aanhouding van de behandeling tot na het hoger beroep werd eveneens afgewezen, omdat onherroepelijkheid van de veroordeling geen vereiste is voor DNA-afname en vernietiging van het DNA-materiaal plaatsvindt bij vrijspraak.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en wees het aanhoudingsverzoek af.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot aanhouding afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Parketnummer: 09/827116-15
Kenmerk RK: 16/5421
Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,
te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van advocaat mr. J.T.E. Vis,
adres: Keizersgracht 278, 1016 EW Amsterdam.
tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.
De rechtbank heeft dit bezwaar op 4 april 2017 in raadkamer behandeld.
Veroordeelde, bijgestaan door mr. J.T.E. Vis, is gehoord.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar, nu er geen sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet DNA. Daarnaast heeft de officier van justitie zich verzet tegen de aanhouding van de zaak, omdat onherroepelijkheid van de strafzaak geen vereiste is.

Beoordeling van het bezwaar.

Veroordeelde is bij uitspraak van 11 februari 2016 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank ter zake van – kort gezegd – medeplichtigheid aan diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf. De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het bezwaar.
Bij veroordeelde is, ingevolge het bevel van de officier van justitie van 9 augustus 2016, op 14 december 2016 op grond artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, celmateriaal afgenomen. Blijkens een daarvan opgemaakte akte is het bezwaarschrift op 16 december 2016, en daarmee tijdig, ter griffie van deze rechtbank ingediend.
Het DNA-profiel van veroordeelde is nog niet bepaald.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat wel degelijk sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet DNA, nu er sprake is van een
first offenderen gelet op de persoonlijke omstandigheden zoals weergegeven in het appelschriftuur niet valt te verwachten dat veroordeelde andermaal in de fout zal gaan. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de DNA-afname een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer vormt en dat dit een zeer ingrijpende maatregel is waar terughoudendheid is geboden. Nu deze maatregel zo ingrijpend wordt ervaren, dient er altijd een individuele toets te worden aangelegd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van het bezwaarschrift aan te houden tot na de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in hoger beroep.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden kent de uitzonderingsbepaling dat geen DNA-onderzoek zal plaatsvinden indien het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Over de reikwijdte van deze uitzonderingsgrond heeft de Hoge Raad op 13 mei 2008 twee arresten gewezen (ECLI:NL:HR:2008:BC8231 en ECLI:NL:HR:2008:BC8234) en bepaald dat er geen plaats is voor een verdere belangenafweging dan toetsing aan de twee, beperkt uit te leggen, uitzonderingen die artikel 2, eerste lid, van de wet, behelst.
Vast staat dat veroordeelde wegens medeplichtigheid aan een diefstal met geweld is veroordeeld tot een forse gevangenisstraf. De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd door de raadsman geen aanleiding om te oordelen, dat de aard van het misdrijf waarvoor veroordeelde is veroordeeld of de omstandigheden waaronder dit is gepleegd zodanig zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde niet van betekenis zal zijn voor voornoemde doelen. Nu er sprake is van (medeplichtigheid aan) een diefstal met geweld, is dit feit naar zijn aard geschikt voor DNA-onderzoek. De uitzonderingsgrond ex artikel 2, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden doet zich dan ook niet voor. Het enkele feit dat veroordeelde verder een vrijwel blanco strafblad heeft is daartoe evenwel onvoldoende.
Voorts overweegt de rechtbank dat artikel 8 EVRM Pro inbreuken op de persoonlijke levenssfeer toelaat, mits deze bij wet voorzien, een legitiem doel dienen en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving, in het belang van onder meer het voorkomen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De Wet DNA voldoet aan deze gestelde eisen (Hoge Raad 3 maart 2009, ECLI:NL:HR:BG9187) en is daarmee niet in strijd met artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank begrijpt dat het af moeten staan van DNA materiaal voor de databank als ingrijpend wordt ervaren, maar is evenwel van oordeel dat de door de raadsman aangedragen argumenten niet in de weg staan aan opname van het DNA van veroordeelde in de databank.
De rechtbank zal het bezwaar gelet op het vorenstaande ongegrond verklaren. Vervolgens dient het subsidiaire aanhoudingsverzoek van de raadsman te worden beoordeeld.
De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel, dat in artikel 1 onder Pro c van de Wet DNA uitdrukkelijk is bepaald dat het bij het afnemen van een DNA-profiel gaat om “een persoon die al dan niet onherroepelijk is veroordeeld”. Onherroepelijkheid van een veroordelend strafvonnis is derhalve geen vereiste. Daar komt bij dat in het geval veroordeelde in hoger beroep worden vrijgesproken het DNA-materiaal alsnog - zonder dat daarvoor een bezwaarschriftprocedure noodzakelijk is - zal worden vernietigd. Uit artikel 16, eerste lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken (hierna: het Besluit) blijkt dat de Justitiële Informatiedienst het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) in kennis stelt zodra zich een omstandigheid voordoet die meebrengt dat degene wiens DNA-profiel in de databank is vastgelegd, niet langer kan worden aangemerkt als verdachte. Voorts volgt uit artikel 17, eerste lid, van het Besluit dat direct nadat het NFI dergelijke kennisgeving heeft ontvangen, zij het DNA-profiel van degene die het betreft terstond zal vernietigen.
Dit brengt met zich mee dat de rechtbank van oordeel is dat het afwachten van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep niet als argument kan dienen om de behandeling van het onderhavige bezwaarschrift aan te houden. Indien veroordeelde uiteindelijk zal worden vrijgesproken, dan zal zijn in de databank opgenomen DNA-materiaal alsnog worden vernietigd. De rechtbank zal dan ook dit aanhoudingsverzoek afwijzen.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. A.M. Boogers, rechter, in tegenwoordigheid van
mrs. T. Ketelaars en H.J.M. Oliemeulen, griffiers, en uitgesproken ter zitting van 18 april 2017.
mr. T. Ketelaars is buiten staat de beslissing te ondertekenen.