ECLI:NL:RBDHA:2017:4868

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 mei 2017
Publicatiedatum
9 mei 2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 8604
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) 604/2013Art. 18 Verordening (EU) 604/2013
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft op 7 februari 2017 een asielaanvraag ingediend, maar de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft deze niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit besluit is gebaseerd op de vaststelling dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, zoals bepaald in de Dublinverordening (EU) 604/2013.

Uit Eurodac-gegevens blijkt dat eiser eerder asielaanvragen heeft ingediend in verschillende Europese landen, waaronder Duitsland op 24 mei 2016. De Duitse autoriteiten hebben het verzoek tot terugname van eiser geaccepteerd op basis van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, wat inhoudt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielprocedure.

Eiser heeft aangevoerd dat zijn aanvraag in Duitsland zou zijn afgewezen en dat hij geen vertrouwen meer heeft in de Duitse procedure, maar de rechtbank acht dit niet aannemelijk en wijst erop dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Ook het verweer dat de tolk niet geregistreerd was, wordt verworpen omdat dit niet tijdig is ingebracht en eiser geen klachten daarover heeft geuit tijdens de procedure.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat er geen reden is voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/8604

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 mei 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: drs. F. Gieskes).

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Eiser heeft tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.
De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt als volgt.
Eiser heeft op 7 februari 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 13 mei 2013 in Zwitserland, op 27 maart 2014 in Italië, op 3 juni 2014 in Oostenrijk en op 24 mei 2016 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 13 februari 2017 de autoriteiten van Duisland op grond van Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening) verzocht om eiser terug te nemen. Op 22 februari 2017 heeft Duitsland middels het claimakkoord ingestemd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.
Niet in geschil is dat eiser in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Uit onderzoek van verweerder bij de Duitse autoriteiten is gebleken dat eiser onder de naam [eiser] op 24 mei 2016 asiel heeft aangevraagd bij de Duitse autoriteiten en dat hij op die dag een “Ankunftsnachweis” heeft verkregen. Uit dit onderzoek is ook gebleken dat de Duitse autoriteiten niet een andere lidstaat hebben verzocht eiser terug te nemen en verweerder heeft hieruit geconcludeerd dat Duitsland verantwoordelijk kan worden geacht voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Eiser is in de gelegenheid gesteld schriftelijk op deze bevindingen te reageren. Voorts blijkt uit het claimakkoord dat Duitsland heeft ingestemd met het verzoek tot terugname. De beroepsgrond dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij Duitsland verantwoordelijk acht en dat eiser niet is gehoord voorafgaand aan het claimverzoek kan dan ook niet slagen.
De gemachtigde heeft gesteld dat eisers aanvraag in Duitsland zou zijn afgewezen en dat eiser geen vertrouwen meer heeft in de procedure in Duitsland. De rechtbank wijst erop dat de Duitse autoriteiten het claimverzoek hebben geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Ingevolge deze bepaling is Duitsland verantwoordelijk omdat het verzoek van eiser aldaar in behandeling is. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser met hetgeen zijn gemachtigde naar voren heeft gebracht niet aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Verweerder heeft zich met de in het besluit gegeven motivering dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Het betoog van de gemachtigde van eiser dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat eiser is bijgestaan door een tolk die niet in het register is opgenomen kan niet slagen. Wat er ook zij van de motivering van verweerder met betrekking tot het inschakelen van deze tolk, eiser heeft op geen enkel moment in de procedure bij verweerder aangegeven dat de tolk niet in het register stond geregistreerd of dat het een en ander niet goed zou zijn weergegeven. De gemachtigde van eiser heeft dit ter zitting desgevraagd bevestigd. Bovendien heeft de gemachtigde van eiser deze grond pas in beroep naar voren heeft gebracht zodat deze grond ook om die reden niet kan leiden tot een gegrond beroep.
2 Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.
3 Er is geen grond aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Tijsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.
Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).