ECLI:NL:RBDHA:2017:4868
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft op 7 februari 2017 een asielaanvraag ingediend, maar de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft deze niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit besluit is gebaseerd op de vaststelling dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, zoals bepaald in de Dublinverordening (EU) 604/2013.
Uit Eurodac-gegevens blijkt dat eiser eerder asielaanvragen heeft ingediend in verschillende Europese landen, waaronder Duitsland op 24 mei 2016. De Duitse autoriteiten hebben het verzoek tot terugname van eiser geaccepteerd op basis van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, wat inhoudt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielprocedure.
Eiser heeft aangevoerd dat zijn aanvraag in Duitsland zou zijn afgewezen en dat hij geen vertrouwen meer heeft in de Duitse procedure, maar de rechtbank acht dit niet aannemelijk en wijst erop dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Ook het verweer dat de tolk niet geregistreerd was, wordt verworpen omdat dit niet tijdig is ingebracht en eiser geen klachten daarover heeft geuit tijdens de procedure.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat er geen reden is voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.