ECLI:NL:RBDHA:2017:5167
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- H.N. Pabbruwe
- Rechtspraak.nl
Toekenning vergoeding advocaatkosten na sepot wegens ontoerekeningsvatbaarheid
De strafzaak tegen verzoeker eindigde in een sepotbeslissing door de officier van justitie omdat verzoeker als dader niet strafbaar was vanwege ontoerekeningsvatbaarheid. Verzoeker had in zijn cel brand gesticht tijdens een psychotische episode. Omdat de zaak niet leidde tot oplegging van straf of maatregel, kon op grond van artikel 591a Sv een vergoeding voor advocaatkosten worden toegekend.
De rechtbank constateerde een ongelijkheid in de wetgeving: indien een verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard en een maatregel wordt opgelegd, kan geen vergoeding worden toegekend, terwijl bij sepot dit wel mogelijk is. De rechtbank achtte de gevraagde vergoeding redelijk en billijk en wees deze toe.
De vergoeding van in totaal € 1.873,21 wordt ten laste van de Staat toegekend en dient te worden voldaan aan de Stichting derdengelden Delissen Martens advocaten. Verzoeker was niet aanwezig bij de zitting, maar werd vertegenwoordigd door zijn advocaat.
Uitkomst: Verzoek tot vergoeding van advocaatkosten na sepot wegens ontoerekeningsvatbaarheid wordt toegewezen.