Uitspraak
Beschikking op het op 16 februari 2017 ingekomen verzoek van:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
[minderjarige] , [minderjarige]
[belanghebbende] ,
[belanghebbende] ,
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
,
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag over een minderjarige die sinds 2008 in een pleeggezin verblijft. De ouders oefenden gezamenlijk gezag uit, maar de minderjarige werd al bijna acht jaar niet meer door hen verzorgd of opgevoed. De pleegouders zijn de belangrijkste hechtingsfiguren.
De Raad stelde dat terugplaatsing bij de ouders niet aan de orde is, ondanks dat de moeder stappen heeft gezet om haar leven te verbeteren en de vader een ruime omgangsregeling heeft. De vader voerde verweer en stelde dat hij wel geschikt is voor volledige zorg. De moeder wenste de voogdij bij dominee uit haar omgeving, vanwege een verstoorde relatie met de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter oordeelde dat de rechtbank bevoegd was en dat het belang van de continuïteit van de opvoeding zwaarder weegt dan het gezag van de ouders. De aanvaardbare termijn voor terugplaatsing was verstreken. Gezien de complexe situatie en de professionele achtergrond van de gecertificeerde instelling, wees de kinderrechter het verzoek van de moeder af en benoemde Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden tot voogd.
De beschikking werd op 16 maart 2017 uitgesproken door kinderrechter S.M. Borkent en is uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden door tussenkomst van een advocaat.
Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de ouders wordt beëindigd en Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden benoemd tot voogd over de minderjarige.