ECLI:NL:RBDHA:2017:550

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2017
Publicatiedatum
24 januari 2017
Zaaknummer
AWB 16/26158
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • M. Diepenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 32 Verordening (EG) nr. 810/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens overleggen vervalste stukken

Eiser, een Pakistaanse staatsburger, vroeg op 24 augustus 2016 een visum voor kort verblijf aan. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag op 7 september 2016 af vanwege het overleggen van vervalste uitnodigingen voor een congres, wat de enige grondslag voor de afwijzing was. Eiser stelde in zijn beroepschrift dat de afwijzing gebaseerd was op het ontbreken van bewijs van een reis- en zorgverzekering, een grondslag die niet overeenkomt met het bestreden besluit.

De rechtbank overwoog dat het beroepschrift geen betrekking had op de feitelijke reden van afwijzing en dat het beroep daarom kennelijk ongegrond was. Op grond van artikel 8:54 Awb Pro besloot de rechtbank het onderzoek te sluiten zonder zitting, omdat voortzetting niet nodig was. Het beroep werd ongegrond verklaard.

De uitspraak werd gedaan door rechter M. Diepenhorst op 23 januari 2017 en is openbaar uitgesproken. Partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot het instellen van verzet binnen zes weken na verzending van het afschrift.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wegens vervalste stukken is kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 16/26158
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: M. Ali,
en

De minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 2 november 2016 (het bestreden besluit) beroep ingesteld. De rechtbank heeft het onderzoek, zonder behandeling ter zitting, gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
Het beroep is naar het oordeel van de rechtbank kennelijk ongegrond, wanneer uit het beroepschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daartoe wordt de inhoud van het beroepschrift beoordeeld in samenhang met de motivering van het bestreden besluit en met hetgeen in bezwaar door betrokkene is aangevoerd.
2. Na te hebben kennis genomen van de stukken, acht de rechtbank in dit geval termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb uitspraak te doen. Zij overweegt daartoe het volgende.
3. Eiser, geboren op [geboortedatum] en van Pakistaanse nationaliteit, heeft op 24 augustus 2016 verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf. Verweerder heeft deze aanvraag bij primair besluit van 7 september 2016 afgewezen op grond van artikel 32 van Pro de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode). Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b van de Visumcode gehandhaafd en eisers bezwaar tegen de geweigerde visumaanvraag ongegrond verklaard, omdat eiser valse dan wel vervalste stukken ter staving van zijn visumaanvraag heeft overgelegd. In de besluitvorming is gemotiveerd verklaard dat en waarom deze stukken, te weten uitnodigingen voor het congres ESPAnet, vals of vervalst zijn. Dit betreft de enige reden voor afwijzing van de visumaanvraag.
4. In het beroepschrift voert eiser aan dat de aanvraag is afgewezen omdat er geen bewijs van een reis- dan wel zorgverzekering zou zijn overgelegd. Eiser geeft uitleg waarom ten tijde van de besluitvorming geen reis- en zorgverzekeringspapieren zijn overgelegd.
5. De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond in het geheel geen betrekking heeft op de grondslag voor de afwijzing van de visumaanvraag. Er is daarom in redelijkheid geen twijfel over mogelijk dat de beroepsgrond faalt. De rechtbank acht voortzetting van het onderzoek onnodig. Het beroep is kennelijk ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Diepenhorst, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2017.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan
binnenzes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.