ECLI:NL:RBDHA:2017:5678

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 april 2017
Publicatiedatum
29 mei 2017
Zaaknummer
AWB 17/6416
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 94 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens ontbreken noodzakelijkheid overdracht op korte termijn

Eiser is op 21 maart 2017 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een geplande overdracht aan Italië. De rechtbank oordeelt dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het niet meewerken aan vaststelling identiteit en de noodzaak van overdracht op zeer korte termijn, niet standhouden. Eiser heeft verklaard mee te willen werken aan vrijwillige terugkeer en geen bezwaar te hebben tegen overdracht aan Italië.

De rechtbank stelt vast dat het overdrachtsbesluit op 13 maart 2017 is genomen na een claimakkoord van Italië op 6 maart 2017, waarbij de termijn voor overdracht uiterlijk op 6 september 2017 eindigt. De geplande overdracht op 10 april 2017 is niet noodzakelijk om binnen zes maanden na het akkoord te realiseren. Verweerder mocht niet voortvarend handelen zonder deze termijn af te wachten.

Omdat slechts één lichte grond voor bewaring resteert en niet aan de wettelijke voorwaarden voor inbewaringstelling is voldaan, is de bewaring onrechtmatig. De rechtbank beveelt onmiddellijke opheffing van de bewaring en kent eiser een schadevergoeding toe van €1330,--. Tevens worden de proceskosten van €990,-- aan eiser toegekend.

Uitkomst: De bewaring wordt onmiddellijk opgeheven en eiser ontvangt een schadevergoeding van €1330,--.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/6416
V-nr: [volgnummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 april 2017 in de zaak tussen
[de man] ,
geboren op [geboortedatum] 1990, van gestelde Algerijnse nationaliteit, eiser
(gemachtigde mr. S.J. van der Woude),
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde mr. H.R.D. Leene).

Procesverloop

Op 21 maart 2017 is eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.
Bij beroepschrift van 22 maart 2017 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.
Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 4 april 2017. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig M. Essebai als tolk in de Arabische taal.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een significant risico bestaat op onderduiken. In de maatregel heeft verweerder hierover, als zware gronden vermeld dat eiser:
c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.
En als lichte grond is vermeld dat eiser:
d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Verweerder heeft ter zitting de zware gronden c. en i. laten vallen.
De geldigheid van de resterende gronden heeft eiser gemotiveerd bestreden.
Verweerder heeft aan de zware grond onder d. ten grondslag gelegd dat eiser niet in het bezit is van een Algerijns identiteitsdocument en hij tot op heden geen activiteiten heeft ontplooid om alsnog de juiste documenten te verkrijgen. Eiser wil ook geen contact met de autoriteiten van zijn land van herkomst. Bovendien heeft eiser verklaard niet uit eigen beweging te willen vertrekken en ook niet terug te willen naar Italië. In het proces-verbaal van aanhouding van 18 maart 2017 staat verder dat hij zich bij zijn aanhouding heeft geïdentificeerd met een Egyptisch identiteitsdocument, terwijl hij van Algerijnse afkomst is, aldus verweerder.
3. De rechtbank constateert dat eiser, zowel tijdens het verhoor als verdachte op 18 maart 2017 als tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling op 21 maart 2017, heeft verklaard dat hij [de man] heet, van Algerijnse nationaliteit is en geboren is op [geboortedatum] 1990. Het mag zo zijn dat in het proces-verbaal van aanhouding ook staat vermeld dat eiser zich heeft geïdentificeerd met een Egyptisch identiteitsdocument, uit het dossier blijkt verder niets van dit document. Zo wordt er niets vermeld over een naam of geboortedatum of andere personalia, een kopie van dat Egyptische id-bewijs ontbreekt in het dossier en uit de verhoren blijkt ook niet dat eiser hierover is ondervraagd. In het dossier zit alleen een kopie van eisers W-document met de zelfde persoonsgegevens als door eiser opgegeven. Verder blijkt uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling dat eiser heeft verklaard dat hij wel degelijk mee wil werken aan vrijwillige terugkeer naar zijn land maar eigenlijk naar Frankrijk wil. Ook in het identeits-verhoor van 21 maart 2017 enkele uren na zijn inbewaringstelling heeft eiser niet gezegd niet mee te willen werken aan zijn overdracht aan Italië, maar heeft hij enkel verklaard dat hij eigenlijk meteen naar Algerije wil. Tijdens dat gehoor heeft eiser nog gebeld met zijn moeder om te achterhalen wat er met zijn originele paspoort is gebeurd. Nergens in het dossier en ook niet in de afwijzende/overdrachtsbeschikking van 13 maart 2017, is vermeld dat eiser heeft gezegd niet te zullen meewerken aan zijn uitzetting naar of overdracht aan Italië. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat eiser ook in het vertrekgesprek van 28 maart 2017 na zijn inbewaringstelling nog heeft verklaard, geen bezwaar te hebben tegen overdracht aan Italië. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de grond dat eiser niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, eiser niet kan worden tegengeworpen
.
4. Ten aanzien van de zware grond onder m. overweegt de rechtbank het volgende. Het overdrachtsbesluit is op 13 maart 2017 genomen na een claimakkoord van Italië op 6 maart 2017. De termijn voor overdracht eindigt dan op zijn vroegst op 6 september 2017. De rechtbank ziet dan ook niet in dat de overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van Italië. Dat er thans voor eiser op 10 april 2017 een overdracht staat gepland, maakt nog niet dat daarmee deze noodzaak gegeven is. Verweerders stelling dat hij voortvarend mag handelen bij de overdracht en niet het einde van deze termijn hoeft af te wachten, betekent niet dat in dit geval een bewaring enkel op deze grond rechtmatig is. Overdracht op zeer korte termijn is immers niet noodzakelijk. De beroepsgrond van eiser slaagt.
5. Artikel 59a, eerste lid, Vw 2000 luidt;
- Onze Minister kan vreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaring stellen met inachtneming van artikel 28 van Pro de Dublinverordening.
Artikel 5.1a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 luidt, de vreemdeling kan in bewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd omdat het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, indien:
a. een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening; en
b. een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.
Artikel 5.1b eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 luidt, aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in artikel 5.1a, tweede lid, wordt slechts voldaan indien ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid zich voordoen, waarvan ten minste één van de gronden, bedoeld in het derde lid.
6. De zware gronden die aan het besluit ten grondslag zijn gelegd kunnen niet standhouden. Dit betekent dat gelet op de bovenvermelde bepalingen niet aan de voorwaarden voor inbewaringstelling is voldaan, nu alleen één lichte grond resteert. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bewaring onrechtmatig is.
7. Dit betekent dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel van meet af aan niet gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring.
8. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van Pro de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 105,-- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 80,-- per dag dat eiser in het huis van bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, in totaal € 1330,--.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,-- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener
.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt dat verweerder de bewaring onmiddellijk opheft;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1330,-- (zegge: dertienhonderd en dertig euro);
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-- (zegge: negenhonderd en negentig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 6 april 2017 door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van H.C. Hagen, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Conc.: HH
D: B
VK
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.