ECLI:NL:RBDHA:2017:5678
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens ontbreken noodzakelijkheid overdracht op korte termijn
Eiser is op 21 maart 2017 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een geplande overdracht aan Italië. De rechtbank oordeelt dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het niet meewerken aan vaststelling identiteit en de noodzaak van overdracht op zeer korte termijn, niet standhouden. Eiser heeft verklaard mee te willen werken aan vrijwillige terugkeer en geen bezwaar te hebben tegen overdracht aan Italië.
De rechtbank stelt vast dat het overdrachtsbesluit op 13 maart 2017 is genomen na een claimakkoord van Italië op 6 maart 2017, waarbij de termijn voor overdracht uiterlijk op 6 september 2017 eindigt. De geplande overdracht op 10 april 2017 is niet noodzakelijk om binnen zes maanden na het akkoord te realiseren. Verweerder mocht niet voortvarend handelen zonder deze termijn af te wachten.
Omdat slechts één lichte grond voor bewaring resteert en niet aan de wettelijke voorwaarden voor inbewaringstelling is voldaan, is de bewaring onrechtmatig. De rechtbank beveelt onmiddellijke opheffing van de bewaring en kent eiser een schadevergoeding toe van €1330,--. Tevens worden de proceskosten van €990,-- aan eiser toegekend.
Uitkomst: De bewaring wordt onmiddellijk opgeheven en eiser ontvangt een schadevergoeding van €1330,--.