ECLI:NL:RBDHA:2017:6061
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens kennelijk ongegrond
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze aanvraag is door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bij besluit van 15 mei 2017 afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is ambtshalve geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, noch is uitstel van vertrek toegekend.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Tijdens de zitting op 1 juni 2017 zijn eiser en zijn gemachtigde niet verschenen, zonder bericht van verhindering. De gemachtigde van eiser heeft schriftelijk laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt sinds oktober 2016.
De rechtbank concludeert hieruit dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke behandeling van zijn beroep en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschijnen en kennelijk geen belang meer bij behandeling.