ECLI:NL:RBDHA:2017:6142

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 mei 2017
Publicatiedatum
8 juni 2017
Zaaknummer
AWB 17/9604
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000artikel 3 EVRMVluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens commuun delict en onvoldoende risico op oneerlijke rechtsgang in Gambia

Eiseres, van Gambiaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel omdat zij vluchtte voor beschuldigingen van het bewaren van gestolen geld. De staatssecretaris wees de aanvraag af als ongegrond op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat het ging om een commuun delict en het risico op strafvervolging niet volstond voor asiel.

Tijdens de zitting verklaarde eiseres wisselend over het tijdstip waarop zij op de hoogte was van haar veroordeling tot acht jaar gevangenisstraf in Gambia. De rechtbank oordeelde dat niet aannemelijk was dat zij reeds veroordeeld was en dat de staatssecretaris terecht de zaak niet in een verlengde procedure behandelde.

Eiseres voerde aan dat de rechtsgang in Gambia niet onafhankelijk is en verwees naar een rapport over mensenrechten. De rechtbank vond echter onvoldoende bewijs dat eiseres persoonlijk het risico loopt op een oneerlijke rechtsgang of onredelijke bestraffing, mede omdat zij tijdens eerdere zittingen werd bijgestaan door een advocaat.

Gelet op de recente politieke veranderingen in Gambia achtte de rechtbank het onduidelijk of het rapport nog actueel is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskosten toe.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat geen gegronde vrees voor vervolging bestaat en onvoldoende aannemelijk is dat eiseres een oneerlijke rechtsgang in Gambia zal ondergaan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/9604
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 24 mei 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 mei 2017 (het bestreden besluit).
De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig P. Molenaar, tolk Engels. Eiseres heeft ter zitting stukken en een pleitnota overgelegd. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres, geboren op [geboortedatum] en van Gambiaanse nationaliteit, heeft gevraagd om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de aanvraag). Aan de aanvraag ligt ten grondslag dat eiseres is gevlucht voor de Gambiaanse autoriteiten omdat ze (ten onrechte) beschuldigd wordt van het bewaren van gestolen geld in haar woning.
2. Bij het bestreden besluit is de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht het relaas geloofwaardig maar stelt zich op het standpunt dat eiseres niet voor een asielvergunning in aanmerking komt omdat het gaat om een commuun delict. Of eiseres veroordeeld wordt is een mogelijk toekomstige gebeurtenis, nu eiseres heeft verklaard dat ze niet weet of ze veroordeeld is en wat de beroepsmogelijkheden zijn.
3. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat het delict waarvan eiseres (ten onrechte) stelt te worden beschuldigd een commuun delict betreft. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het enkele risico op strafvervolging voor een commuun delict niet maakt dat eiseres daarmee een gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van Pro het EVRM. Niet aannemelijk is dat eiseres reeds tot een gevangenisstraf is veroordeeld. Tijdens het nader gehoor op 28 april 2017 heeft eiseres verklaard dat ze is gevlucht omdat haar een veroordeling tot een gevangenisstraf in Gambia stond te wachten. In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor is opgemerkt dat eiseres dreigt te worden veroordeeld of reeds is veroordeeld in Gambia. Derhalve was voor eiseres kennelijk toen niet bekend of ze is veroordeeld. In de gronden van beroep is gevraagd de zaak in de verlengde procedure te behandelen omdat stukken - waaronder het vonnis waarbij eiseres tot een gevangenisstraf is veroordeeld - naar Nederland zijn opgestuurd. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij bij vonnis van 21 juli 2016 tot een gevangenisstraf van acht jaar is veroordeeld. Eiseres heeft bovendien ter zitting wisselend verklaard over het moment waarop zij op de hoogte is gebracht van deze veroordeling. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij vóór het indienen van de asielaanvraag op 20 februari 2017 van de veroordeling op de hoogte is gebracht. Dat strookt niet met haar verklaring tijdens het nader gehoor. Eiseres heeft bovendien ter zitting tevens verklaard dat ze van de veroordeling op een later moment - namelijk toen haar gemachtigde haar vroeg om stukken aan te leveren - op de hoogte raakte. Wanneer dat precies was, is onduidelijk gebleven. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres reeds is veroordeeld. Verweerder hoefde de zaak niet - overeenkomstig het verzoek van eiseres daartoe - in de verlengde asielprocedure te behandelen teneinde documenten af te wachten, nu geen enkele duidelijkheid kon worden gegeven over wanneer dit stuk wordt verwacht.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat de rechtsgang in Gambia niet met voldoende waarborgen is omkleed en verwezen naar het Country Report on Human Rights Practices 2016 van Gambia, waarin is vermeld dat de grondwet in Gambia voorziet in een onafhankelijke rechterlijke macht maar corruptie onder rechters en advocaten naar verluidt gebruikelijk is. Verweerder heeft hieromtrent terecht opgemerkt dat hoewel er in Gambia niet altijd een onafhankelijk rechtssysteem is, eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij persoonlijk het risico op een oneerlijke rechtsgang in Gambia loopt. Eiseres heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar tijdens een strafrechtelijk onderzoek adequate rechtshulp wordt onthouden, mede gelet op haar verklaring tijdens het nader gehoor dat ze tijdens de bijgewoonde rechtszittingen in Gambia werd bijgestaan door een advocaat en met zijn hulp op borgtocht is vrijgekomen. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat sprake zal zijn van een onevenredige bestraffing. De rechtbank overweegt ten slotte dat onbekend is of voormeld rapport thans (ten tijde van het bestreden besluit) nog actueel is, nu Gambia begin 2017 een nieuwe president heeft gekregen en president Jammeh - onder wie sprake was van een dictatoriaal regime - het land heeft verlaten. Geconcludeerd wordt dat de aanvraag terecht als ongegrond is afgewezen.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2017.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.