ECLI:NL:RBDHA:2017:6142
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens commuun delict en onvoldoende risico op oneerlijke rechtsgang in Gambia
Eiseres, van Gambiaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel omdat zij vluchtte voor beschuldigingen van het bewaren van gestolen geld. De staatssecretaris wees de aanvraag af als ongegrond op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat het ging om een commuun delict en het risico op strafvervolging niet volstond voor asiel.
Tijdens de zitting verklaarde eiseres wisselend over het tijdstip waarop zij op de hoogte was van haar veroordeling tot acht jaar gevangenisstraf in Gambia. De rechtbank oordeelde dat niet aannemelijk was dat zij reeds veroordeeld was en dat de staatssecretaris terecht de zaak niet in een verlengde procedure behandelde.
Eiseres voerde aan dat de rechtsgang in Gambia niet onafhankelijk is en verwees naar een rapport over mensenrechten. De rechtbank vond echter onvoldoende bewijs dat eiseres persoonlijk het risico loopt op een oneerlijke rechtsgang of onredelijke bestraffing, mede omdat zij tijdens eerdere zittingen werd bijgestaan door een advocaat.
Gelet op de recente politieke veranderingen in Gambia achtte de rechtbank het onduidelijk of het rapport nog actueel is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskosten toe.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat geen gegronde vrees voor vervolging bestaat en onvoldoende aannemelijk is dat eiseres een oneerlijke rechtsgang in Gambia zal ondergaan.