ECLI:NL:RBDHA:2017:6180
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid politieke vervolging in Pakistan
Eiser, een Pakistaanse politieke activist en voormalig lid van BSO/AZAD, verzocht om een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Hij stelde dat hij vanwege zijn politieke activiteiten en de moord op zijn broer in Pakistan gevaar liep. Verweerder wees de aanvraag af op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, stellende dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij na 2013 nog actief was voor de verboden organisatie en dat de inval in zijn ouderlijk huis in 2016 ongeloofwaardig was.
De rechtbank oordeelde dat eiser zijn activiteiten na 2013 niet voldoende had onderbouwd met bewijs en dat de inval niet aannemelijk was gekoppeld aan zijn politieke activiteiten. Ook achtte de rechtbank het verblijf in Oman als een veilig alternatief, gezien het verblijfsrecht van eiser aldaar en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor vervolging in Oman. Medische gronden boden geen aanleiding tot afwijking van dit oordeel.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank wees tevens een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep op de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag wordt afgewezen.