Eiser ontving in 2015 een ziektewetuitkering van het UWV van €18.487, welke door verweerder is meegenomen in de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over dat jaar. Eiser stelde dat hij de uitkering niet had genoten omdat deze volledig was teruggevorderd en terugbetaald aan het UWV. De rechtbank stelde vast dat eiser geen bewijsstukken had overgelegd waaruit bleek dat de uitkering daadwerkelijk was terugbetaald in 2015 of later.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 3.146 van de Wet IB 2001 de uitkering wordt geacht te zijn genoten op het moment van ontvangst. Omdat eiser de uitkering in 2015 ontving en tijdig rechtsmiddelen had aangewend tegen de terugvordering, stond deze vordering in dat jaar nog niet definitief vast. Hierdoor was het terecht dat de uitkering in 2015 in de heffing werd betrokken.
Verder verwierp de rechtbank het beroep van eiser dat hij niet was gehoord en dat sprake was van een motiveringsgebrek. Ook het beroep op een arrest van de Hoge Raad uit 1988 werd afgewezen, omdat eiser niet binnen redelijke termijn had laten blijken de uitkering niet te willen behouden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.