ECLI:NL:RBDHA:2017:6524
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring ondanks belangen minderjarige dochter na echtscheiding
Eiser, na echtscheiding zonder vaste woon- of verblijfplaats, vroeg een urgentieverklaring voor voorrang bij woningtoewijzing. Zijn minderjarige dochter woont bij de moeder, waar spanningen en angstklachten zijn vanwege een nieuwe partner. Verweerder wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat verweerder zijn discretionaire bevoegdheid tot toepassing van de hardheidsclausule naar behoren heeft uitgeoefend. De situatie van eiser onderscheidt zich onvoldoende van andere woningzoekenden zonder passende woonruimte na echtscheiding.
Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met het belang van het kind zoals vereist onder artikel 3 IVRK Pro. De woonsituatie van eiser is niet zodanig dat een urgentieverklaring gerechtvaardigd is, mede omdat de dochter mede onderdak heeft bij de moeder.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard.