ECLI:NL:RBDHA:2017:6558
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- V.E. van der Does
- R.J. Praamstra
- J.J. Rijpma
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens verplaatsing hoofdverblijf buiten Nederland na detentie in Tunesië
Eiser, sinds 1986 in Nederland woonachtig met drie meerderjarige kinderen, werd geconfronteerd met intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 17 mei 2000. Dit vanwege zijn langdurige verblijf in Tunesië van circa dertien jaar, waar hij gedetineerd zat wegens een drugsdelict dat ook in Nederland strafbaar is.
Eiser stelde dat hij zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland had verplaatst en dat zijn detentie onvrijwillig was, waardoor de glijdende schaal toegepast had moeten worden. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het beleid dat verblijf van meer dan zes maanden buiten Nederland leidt tot intrekking, tenzij sprake is van omstandigheden buiten schuld van de vreemdeling. Detentie wegens een veroordeling voor een strafbaar feit in Nederland wordt niet als zodanige omstandigheid gezien.
Daarnaast werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro (bescherming familieleven) verworpen omdat er geen bijzondere afhankelijkheidsrelatie bestond tussen eiser en zijn in Nederland wonende meerderjarige kinderen. Ook het beroep op privéleven werd afgewezen, omdat de intrekking niet onevenredig werd geacht gezien de omstandigheden.
De rechtbank concludeerde dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd en dat de intrekking en afwijzing van de verblijfsvergunningen op goede gronden berusten. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.