ECLI:NL:RBDHA:2017:6628

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 mei 2017
Publicatiedatum
19 juni 2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4925
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing visum kort verblijf wegens termijnoverschrijding

Eisers hebben een visum kort verblijf aangevraagd, dat door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen bij besluit van 27 oktober 2016. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd op 23 januari 2017 kennelijk ongegrond verklaard. Op 2 maart 2017 stelde de gemachtigde van eisers beroep in tegen het bestreden besluit.

De rechtbank stelde vast dat de beroepstermijn van vier weken, zoals bepaald in artikel 69 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, op 21 februari 2017 was verstreken. Het beroep werd derhalve na afloop van deze termijn ingediend. Eisers voerden aan dat de overschrijding te wijten was aan de afwezigheid van hun gemachtigde die wegens een ernstig ziek familielid naar Pakistan moest reizen.

De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden niet verschoonbaar waren, aangezien het risico van afwezigheid voor rekening van eisers kwam en de gemachtigde pro forma beroep had kunnen instellen vóór vertrek. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en bleef een inhoudelijke beoordeling achterwege. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/4925
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2017 in de zaak tussen

[eiser 1] , V-nummer [vreemdelingennummer 1]

[eiser 2], V-nummer [vreemdelingennummer 2] ,
gezamenlijk te noemen eisers,
(gemachtigde en tevens referent: [persoon] ),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: E.P.C. van der Weijden).

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een visum kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 23 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.
Op 2 maart 2017 heeft referent namens eisers tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt, in afwijking van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier weken.
Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit op 23 januari 2017 aan referent is toegezonden en dat de beroepstermijn van vier weken op 21 februari 2017 is geëindigd. Eisers bestrijden niet dat zij hun beroep op 2 maart 2017 – en derhalve na afloop van de beroepstermijn – hebben ingesteld. Ter beoordeling staat of in de feiten en omstandigheden die referent namens eisers heeft aangevoerd grond is gelegen voor het oordeel dat de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar moet worden geacht.
3.1.
Eisers stellen dat de reden van de termijnoverschrijding was gelegen in het feit dat referent vanwege een ernstig ziek familielid moest afreizen naar Pakistan en derhalve niet tijdig beroep heeft kunnen instellen. Hiertoe heeft referent zijn vliegtickets, een visum van het Pakistaans consulaat, een doktersverklaring uit Pakistan en een kopie van zijn paspoort overgelegd.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden, die aanleiding geven om in dit geval de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De omstandigheid dat referent in het buitenland verbleef, komt voor rekening en risico van eisers. Het is aan referent om maatregelen te treffen voor de periode van afwezigheid. Overigens blijkt uit de overgelegde vliegtickets dat referent op 11 februari 2017 naar Pakistan is gevlogen en dat hij op 25 februari 2017 is teruggevlogen. Nu de beroepstermijn op 24 januari 2017 is aangevangen, had het op de weg van referent gelegen om voor zijn vertrek naar Pakistan (pro forma) beroep in te stellen bij de rechtbank.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Derhalve blijft een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit achterwege.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier, op 31 mei 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.