ECLI:NL:RBDHA:2017:6657

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2017
Publicatiedatum
19 juni 2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 10892
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EU) 604/2013Art. 18 lid 1 onder c DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser diende op 23 maart 2017 een asielaanvraag in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat hij eerder in Polen en Duitsland verzoeken om internationale bescherming had ingediend. De staatssecretaris verzocht Polen om terugname van eiser, waarop Polen instemde volgens de Dublinverordening.

Eiser voerde aan dat Polen zijn verdragsverplichtingen niet zou nakomen en dat er problemen zijn met de onafhankelijkheid van de rechtspraak en vreest voor bloed- en eerwraak. De rechtbank oordeelde dat deze stellingen onvoldoende concreet zijn onderbouwd en dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die overdracht onevenredig hard maken.

De rechtbank concludeert dat de staatssecretaris terecht heeft besloten geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om het verzoek hier te behandelen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/10892

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kristel).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser van 23 maart 2017 niet in behandeling genomen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2017.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig L. Annissimova, tolk

Overwegingen

1. Eiser heeft op 23 maart 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 10 december 2016 in Polen en op 19 december 2016 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.
Verweerder heeft de autoriteiten van Polen op grond van Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening) op 11 april 2017 verzocht om eiser terug te nemen. De Poolse autoriteiten hebben middels het claimakkoord van 14 april 2017 hiermee ingestemd op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Dublinverordening.
2. De rechtbank overweegt als volgt.
Eiser heeft met het door hem in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat Polen zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Eiser heeft niet onderbouwd welke concrete aanwijzingen er zouden zijn dat Polen zijn internationale verplichting niet zal nakomen. De enkele stelling dat er grote problemen zijn met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechtspraak is onvoldoende. Ook heeft eiser op geen enkele wijze onderbouwd waarom hij zich niet bij voorkomende problemen kan wenden tot de Poolse autoriteiten voor bescherming. De enkele stelling dat hij vreest voor bloed/eerwraak is hiertoe onvoldoende. Verweerder heeft zich -met de in het besluit gegeven motivering- dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Polen een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eiser hier te lande te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening nu er door eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
3. Het beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.