Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Vonnis van 28 juni 2017
- de dagvaarding van 21 oktober 2017 met producties;
- de conclusie van antwoord;
Rechtbank Den Haag
In deze zaak vordert eiseres vernietiging van een arbitraal vonnis gewezen door de Raad van Arbitrage voor de Metaalnijverheid en -Handel in Den Haag. De arbitrale procedure is gestart na 1 januari 2015, waardoor op grond van artikel 1064a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de bevoegde rechter het gerechtshof van het ressort is waarin de plaats van arbitrage is gelegen.
De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan de comparitie gewezen op deze wettelijke regeling en het overgangsrecht dat bepaalt dat deze bevoegdheidsregel niet geldt voor arbitrages die voor 1 januari 2015 aanhangig zijn gemaakt. Partijen hebben vervolgens gezamenlijk verzocht de zaak naar het gerechtshof Den Haag te verwijzen.
De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd om kennis te nemen van de zaak en verwijst deze naar het gerechtshof Den Haag. Tevens wijst de rechtbank partijen op de verplichting tot vertegenwoordiging door een advocaat bij het gerechtshof en het opnieuw te betalen griffierecht, waarbij reeds betaald griffierecht in mindering wordt gebracht.
Het vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag.