Eiser sloot rond 1 januari 1992 een kapitaalverzekering af waarbij hij een standaard gezondheidsverklaring invulde, die pas op 8 januari 1992 door de verzekeraar werd ontvangen. De polis vermeldde een ingangsdatum van 31 december 1991, maar de feitelijke totstandkoming vond na 1 januari 1992 plaats. Verweerder legde een navorderingsaanslag op het niet aangegeven rentebestanddeel in de uitkering.
De rechtbank onderzocht of het gelijkheidsbeginsel van toepassing was, waarbij eiser stelde dat zijn situatie gelijk was aan die van kapitaalverzekeringen met een verkorte aanvraagprocedure die vóór 1 januari 1992 tot stand waren gekomen. De rechtbank oordeelde dat de civielrechtelijke totstandkoming van de verzekering afhankelijk is van het tijdstip waarop het aanbod en de aanvaarding elkaar bereikten, en dat de standaard aanvraag een aanbod van eiser was dat pas na 1 januari 1992 werd geaccepteerd.
Hierdoor waren de gevallen niet gelijk en faalde het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Ook het betoog dat verweerder een begunstigend beleid voerde werd verworpen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.