Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.[A] ,
1.De procedure
- het tussenvonnis in het incident van 21 december 2016 (verder: het tussenvonnis) en de daar vermelde stukken;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie, met producties 70 tot en met 133;
- de (op de rol van 15 februari 2017 genomen) akte van 10 februari 2017 van NBG Monuglass, waarin NBG Monuglass verzoekt de zaak aan te houden totdat is beslist op het door haar tegen het tussenvonnis ingestelde hoger beroep;
- de rolbeslissing van de rechtbank om het hiervoor bedoelde verzoek te weigeren;
- de brief van NBG Monuglass van 10 februari 2017, waarin zij de rechtbank verzoekt de zaak door te verwijzen naar de meervoudige kamer, de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie te weigeren, en toegelaten te worden tot pleidooi;
- de brief van 14 februari 2017 van Miro c.s., waarin zij op laatstgenoemde akte van NBG Monuglass reageert;
- de beslissing van de rechtbank het door NBG Monuglass bij brief van 10 februari 2017 verzochte te weigeren en vonnis te bepalen.
2.De vorderingen en grondslagen in de hoofdzaak
3.De vordering in het incident aan de zijde van Miro c.s.
4.De beoordeling in het incident aan de zijde van Miro c.s.
Bevoegdheid
5.De beoordeling in de hoofdzaak
eis in reconventieis ingesteld, kan de wederpartij ter comparitie (conform artikel 4.1 van het Landelijk procesreglement) een conclusie van
uiterlijk twee weken vóór de comparitiedatumaan het CNA-bureau en aan de advocaat van de wederpartij te worden gestuurd,
op straffe van vervalvan het recht om alsnog te antwoorden in reconventie.
uiterlijk 24 uur vóór de zittingte worden ingediend, met gelijktijdige kopie aan de advocaat van de wederpartij.
digitale dragerte worden aangeleverd conform de ‘Instructies voor het indienen van stukken in IE-zaken’, hiervoor vermeld. Iedere partij levert voorts de reeds ingediende (proces)stukken op een digitale drager aan uiterlijk twee weken vóór de zitting.
schriftelijkworden gedaan aan het CNA-bureau, en wel bij voorkeur per
B-formulier(conform artikel 1.8 van het Landelijk procesreglement), met gelijktijdige kopie aan de advocaat van de wederpartij. In het verzoek dienen te worden vermeld: de naam van de comparitierechter, de datum en het tijdstip van de zitting, alsmede de verhinderdata voor de eerstkomende drie maanden na de comparitiedatum.
binnen twee wekenna een ambtshalve dagbepaling van de zitting is ontvangen (conform artikel 8.3 van het Landelijk procesreglement) of dat is ontvangen na een dagbepaling in overleg met partijen, tenzij sprake is van overmacht of klemmende reden en behoudens het bepaalde onder 5.8.