ECLI:NL:RBDHA:2017:711

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2017
Publicatiedatum
27 januari 2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6774
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • T. van Rij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1 lid 2 onderdeel c Wet inkomstenbelasting 2001Art. 3.90 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 4 Wet op de loonbelasting 1964
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt belastingplicht over inkomen uit zorgverlening uit persoonsgebonden budget

Eiser ontving in 2013 loon uit dienstbetrekking en verleende daarnaast zorg aan mevrouw F, waarvoor hij werd betaald uit haar persoonsgebonden budget. In zijn aangifte gaf eiser alleen zijn loon op, terwijl de Belastingdienst ook het inkomen uit zorgverlening heeft meegenomen in de aanslag.

Eiser stelde dat de vergoeding netto was uitbetaald omdat F loonheffing zou hebben ingehouden en dat dit was vastgelegd in een contract. De rechtbank vond dit niet aannemelijk omdat eiser geen jaaropgaaf of contract had overgelegd en er geen bewijs was dat gebruik was gemaakt van de 'opting-in regeling' of dat F bekend stond als inhoudingsplichtige.

De rechtbank kwalificeerde het inkomen uit zorgverlening als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden volgens de Wet inkomstenbelasting 2001. Eiser is hierover inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en bijdrage Zvw verschuldigd. Het beroep tegen de aanslag en de belastingrente werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de aanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en bijdrage Zvw over het inkomen uit zorgverlening wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 16/6774

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 18 juli 2016 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2013 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] en [persoon 2] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser was in 2013 in dienstbetrekking bij [bedrijf] B.V. (W BV)
Daarnaast heeft hij zorg verleend aan mevrouw [persoon 3] (F), waarvoor hij is betaald uit haar persoonsgebonden budget.
2. Blijkens een tot de gedingstukken behorend renseignement afkomstig van de Sociale
Verzekeringsbank heeft F aan eiser in 2013 de volgende bedragen voor aan haar verleende zorg betaald:
  • periode 01-01-2013 tot en met 30-06-2013 € 14.654 uitbetaald
  • periode 01-07-2013 tot en met 31-12-2013

€ 29.551

3. Eiser heeft over 2013 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.727, bestaande uit zijn loon (€ 23.857) bij W BV verminderd met persoonsgebonden aftrekposten (€ 3.130). Het inkomen uit zorgverlening heeft eiser niet aangegeven.
4. Met dagtekening 28 oktober 2015 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2013 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.278, bestaande uit zijn loon (€ 23.857), het inkomen uit zorgverlening (€ 29.551) en verminderd met de persoonsgebonden aftrekposten (€ 3.130). Daarnaast is bij beschikking € 746 aan belastingrente in rekening gebracht. Op dezelfde datum heeft verweerder de aanslag Zvw 2013 opgelegd naar een bijdrage inkomen van € 26.996 en een beschikking belastingrente van € 9.
5. In geschil is of eiser ib/pvv en bijdrage Zvw verschuldigd is over het inkomen uit zorgverlening. Meer specifiek is in geschil of eiser dit inkomen als bruto of als netto uitbetaling heeft ontvangen.
6. Eiser stelt dat F loonheffing heeft ingehouden en dat zij het totaal van € 29.551 netto aan hem heeft uitbetaald. Volgens eiser heeft hij dit met F in een contract geregeld. Met de enkele stelling dat het zo is gegaan, heeft hij dit niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft geen jaaropgaaf of contract overgelegd. Ook is niet gebleken dat eiser en F gebruik hebben gemaakt van de ‘opting-in regeling’ als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder f, van de Wet op de loonbelasting 1964. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat F bekend is als inhoudingsplichtige voor de loonheffing.
7. Het inkomen kwalificeert als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van artikel 3.1, tweede lid, onderdeel c, in samenhang met artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en eiser is hierover ib/pvv en bijdrage Zvw verschuldigd. Als eiser met F een netto tarief heeft afgesproken, zal hij met haar moeten regelen dat hij deze bedragen van haar terug krijgt. Het beroep is in zoverre ongegrond.
8. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de belastingrente onjuist zijn toegepast, is het beroep ook in zoverre ongegrond.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. van Rij, rechter, in aanwezigheid van mr. M.G.J. Konings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.