ECLI:NL:RBDHA:2017:7241
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- V.E. van der Does
- R.J. Praamstra
- J. Rijpma
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opheffing ongewenstverklaring en SIS-signalering wegens niet voldoen aan voorwaarden
Eiser is in 2007 ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 wegens artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. In 2016 verzocht hij om opheffing van deze ongewenstverklaring en verwijdering van zijn signalering uit het Schengen Informatiesysteem (SIS). Hij beschikte over een verblijfsvergunning asiel in het Verenigd Koninkrijk en stelde dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland bijzondere feiten en omstandigheden had die opheffing rechtvaardigden.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet had voldaan aan de voorwaarden van artikel 6.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat hij niet tien jaren onafgebroken buiten Nederland had verbleven en niet de vereiste schriftelijke verklaringen en bewijsstukken had verstrekt over zijn verblijf en strafrechtelijke onbesprokenheid. Tevens werd geoordeeld dat de Richtlijn 2004/38 niet op hem van toepassing was, omdat hij niet als begunstigde in de zin van die richtlijn kon worden aangemerkt.
Verder stelde de rechtbank vast dat de verblijfsvergunning in het Verenigd Koninkrijk en het Britse staatsburgerschap van zijn gezin niet verhinderden dat een signalering in het SIS werd gehandhaafd. De rechtbank verwierp ook het beroep dat de signalering een onrechtmatige beperking van het recht op vrij verkeer zou vormen. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de opheffing van de ongewenstverklaring en SIS-signalering werd geweigerd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring en SIS-signalering is ongegrond verklaard.