ECLI:NL:RBDHA:2017:7449
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake vertegenwoordiging minderjarige met verblijfplaats België
Verzoekers, als wettelijk vertegenwoordigers van een minderjarige die zijn gewone verblijfplaats in België heeft, verzochten de Nederlandse kantonrechter om machtiging te verkrijgen om namens de minderjarige een financiële claim in te dienen tegen een luchtvaartmaatschappij. De kantonrechter moest beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd was op grond van de Verordening Brussel-II bis.
De Verordening bepaalt dat in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid in beginsel het gerecht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft bevoegd is. Hoewel artikel 12 lid 3 van Pro deze verordening uitzonderingen kent waarbij de Nederlandse rechter bevoegd kan zijn indien het kind een nauwe band met Nederland heeft en dit in het belang van het kind is, oordeelde de kantonrechter dat deze situatie niet van toepassing was.
Verzoekers verwezen naar het Rehder-arrest om de verbondenheid met Nederland aan te tonen, maar de kantonrechter maakte onderscheid tussen bevoegdheid voor ouderlijke verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor vorderingen tegen een luchtvaartmaatschappij. Het enkele feit dat de Nederlandse rechter bevoegd is voor de vordering tegen de luchtvaartmaatschappij impliceert geen nauwe band van het kind met Nederland.
Daarom verklaarde de kantonrechter zich onbevoegd om op het verzoek te beslissen. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich onbevoegd om te beslissen over het verzoek tot vertegenwoordiging van de minderjarige.