ECLI:NL:RBDHA:2017:7449

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2017
Publicatiedatum
6 juli 2017
Zaaknummer
5924107 EJ VERZ 17-87745
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening van de Raad van Europa van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel-II bis)Verordening van de Raad van Europa van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I)artikel 8 Verordening Brussel-II bisartikel 12 lid 3 Verordening Brussel-II bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake vertegenwoordiging minderjarige met verblijfplaats België

Verzoekers, als wettelijk vertegenwoordigers van een minderjarige die zijn gewone verblijfplaats in België heeft, verzochten de Nederlandse kantonrechter om machtiging te verkrijgen om namens de minderjarige een financiële claim in te dienen tegen een luchtvaartmaatschappij. De kantonrechter moest beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd was op grond van de Verordening Brussel-II bis.

De Verordening bepaalt dat in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid in beginsel het gerecht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft bevoegd is. Hoewel artikel 12 lid 3 van Pro deze verordening uitzonderingen kent waarbij de Nederlandse rechter bevoegd kan zijn indien het kind een nauwe band met Nederland heeft en dit in het belang van het kind is, oordeelde de kantonrechter dat deze situatie niet van toepassing was.

Verzoekers verwezen naar het Rehder-arrest om de verbondenheid met Nederland aan te tonen, maar de kantonrechter maakte onderscheid tussen bevoegdheid voor ouderlijke verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor vorderingen tegen een luchtvaartmaatschappij. Het enkele feit dat de Nederlandse rechter bevoegd is voor de vordering tegen de luchtvaartmaatschappij impliceert geen nauwe band van het kind met Nederland.

Daarom verklaarde de kantonrechter zich onbevoegd om op het verzoek te beslissen. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich onbevoegd om te beslissen over het verzoek tot vertegenwoordiging van de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Zittingsplaats 's-Gravenhage
AL
Vb.nr:8326
Zaaknummer: 5924107 EJ VERZ 17-87745
Uitspraak: 26 juni 2017

Beschikking op het verzoek van:

[verzoekers] ,

beiden wonende te 3000 Leuven, België, aan het [adres] ,
verzoekers,
gemachtigde: mr. M.J.R. Hannink.

Overwegingen

1. Op 21 april 2017 is op de griffie een verzoekschrift ingediend. Het verzoek strekt ertoe verzoeker in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige:
[DM] , geboren te Leuven, België op 18 mei 2012 en wonende en verblijvende te Leuven, België
machtiging te verlenen om de voornoemde minderjarige te vertegenwoordigen om financiële compensatie te claimen bij een luchtvaartmaatschappij.
2. Gelet op de omstandigheid dat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, dient de kantonrechter vast te stellen of haar rechtsmacht toekomt.
3. In dit geval is de Verordening van de Raad van Europa van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel-II bis) van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 8 van Pro de Verordening Brussel-II bis is in zaken zoals de onderhavige in beginsel bevoegd het gerecht van de lidstaat waar de minderjarige zijn/haar gewone verblijfplaats heeft. In dit geval is daarom in beginsel de rechter in België bevoegd om op het verzoek te beslissen. Op basis van artikel 12 lid 3 van Pro de Verordening Brussel-II bis kan evenwel ook de Nederlandse rechter bevoegd zijn, indien het kind een nauwe band heeft met Nederland èn de bevoegdheid uitdrukkelijk is aanvaard èn de bevoegdheid van de Nederlandse rechter door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.
4. Verzoekers hebben zich desgevraagd bij fax van 14 juni 2017 uitgelaten over de vraag of van de in artikel 12 lid 3 van Pro de Verordening Brussel-II bis bedoelde situatie sprake is. Verzoekers hebben onder verwijzing naar het Rehder-arrest van het Europese Hof van Justitie aangevoerd dat er verbondenheid bestaat van de zaak met de Nederlandse rechtssfeer, omdat de Nederlandse rechter bevoegd is te beslissen op de vordering tegen de luchtvaartmaatschappij.
5. De kantonrechter stelt voorop dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om op een vordering tegen een luchtvaartmaatschappij te beslissen moet worden onderscheiden van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om beslissingen te nemen omtrent de invulling van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Het onderhavige verzoek om machtiging te verlenen om namens de minderjarige in rechte op te treden betreft de ouderlijke verantwoordelijkheid. De bevoegdheid van de rechter moet daarom op basis van de Verordening Brussel-II bis worden vastgesteld en niet op basis van de Verordening van de Raad van Europa van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I), waarop het Rehder-arrest is gebaseerd. Het enkele feit dat de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen op de vordering tegen de luchtvaarmaatschappij brengt evenmin met zich mee dat sprake is van een nauwe band van de minderjarige met Nederland. Van een situatie als bedoeld in artikel 12 lid 3 van Pro de Verordening Brussel-II bis is in dit geval dus geen sprake. De kantonrechter zal zich daarom onbevoegd verklaren.

Beslissing

De kantonrechter:
- verklaart zich onbevoegd om op het verzoek te beslissen.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2017.
Tegen deze beslissing kan door indiening van een beroepschrift (door een advocaat) ter griffie van het Gerechtshof Den Haag hoger beroep worden ingesteld:
a. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.