ECLI:NL:RBDHA:2017:7611

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juli 2017
Publicatiedatum
11 juli 2017
Zaaknummer
NL17.3731
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 18 lid 1 sub b Dublinverordening (EU) nr. 604/2013Artikel 3 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring verblijfsvergunning asiel wegens internationale bescherming in Italië

Eiser, een Gambische nationaliteit hebbende persoon, heeft op 22 april 2017 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Italië. Eiser betoogde dat hij in Italië geen adequate opvang en werk kan vinden en dat terugkeer in strijd is met artikel 3 EVRM Pro vanwege de slechte omstandigheden.

De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt tussen Nederland en Italië, en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Italië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De verwijzingen naar rapporten over opvang en voorzieningen zijn onvoldoende om te concluderen dat terugkeer in strijd is met artikel 3 EVRM Pro. Het feit dat eiser problemen ondervindt met arbeid en huisvesting betekent niet dat Italië zijn verplichtingen schendt.

Het beroep is ter zitting door de gemachtigde van eiser ingetrokken en wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Meijers en griffier J.P. Brand op 11 juli 2017.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.3731

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. E.H.J.M. de Bonth),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: drs. J.M. Sidler).

ProcesverloopBij besluit van 23 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.3732, plaatsgevonden op 6 juli 2017. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Op 22 april 2017 heeft eiser in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend.
2. Op 10 mei 2017 heeft verweerder de Italiaanse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening). In reactie daarop hebben de Italiaanse autoriteiten zich bij brief van 19 mei 2017 op het standpunt gesteld dat eiser niet meer onder de Dublinverordening valt aangezien hij in Italië reeds internationale bescherming geniet tot 14 december 2021.
3. Verweerder heeft daarop de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Italië.
4. Eiser wil niet terug naar Italië omdat hij daar geen opvang krijgt en geen werk kan vinden. In Italië wordt hem in dat kader ook geen hulp geboden. Het terugzenden van eiser naar Italië is in strijd met artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Sinds het verlenen van de verblijfsvergunning in Italië is eiser aan zijn lot overgelaten en is hij niet in staat gesteld op een humane wijze zijn leven in te vullen. Het is voor mensen met een internationale beschermingsstatus erg moeilijk om werk te vinden. Ook het vinden van woonruimte is voor mensen als eiser zeer moeilijk. Eiser heeft verwezen naar het AIDA Country Report Italy van 2016 en naar het rapport ‘Reception conditions in Italy’ van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van augustus 2017. De opvang en voorzieningen voor asielzoekers is veel beter dan die voor statushouders, dus de uitspraken waar verweerder naar verwijst zien niet op de situatie van eiser in Italië. Ten onrechte is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Voor wat betreft eisers stelling dat Italië zijn internationale verplichtingen niet na komt merkt de rechtbank op dat het uitgangspunt is dat verweerder ten opzichte van Italië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hier niet in geslaagd. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser weliswaar blijkt dat sprake is van moeilijke omstandigheden, maar niet blijkt dat hij in Italië het slachtoffer is geworden van een door artikel 3 van Pro het EVRM verboden behandeling. De verwijzing naar voormelde rapporten is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende voor het oordeel dat bij terugkeer naar Italië een situatie zal ontstaan in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Uit het verlenen van een status van internationale bescherming blijkt de intentie van de Italiaanse autoriteiten om eiser te beschermen. Daarbij mag van eiser verwacht worden dat hij zich bij voorkomende problemen wendt tot de (hogere) Italiaanse autoriteiten. Niet gebleken is dat de autoriteiten van Italië hem niet zouden kunnen of willen helpen. Dat eiser problemen ondervindt met betrekking tot arbeid en huisvesting betekent niet dat Italië zijn Unierechtelijke of internationale verplichtingen schendt. Dat de uitspraken waar verweerder naar heeft verwezen zien op asielzoekers en niet op statushouders, doet aan het vorenstaande niet af.
7. Het beroep tegen het terugkeerbesluit is door de gemachtigde van eiser ter zitting ingetrokken.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.

Rechtsmiddel