ECLI:NL:RBDHA:2017:7717
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Pakistaanse nationaliteit houdende persoon, diende op 19 april 2017 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat op basis van de Dublinverordening is vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
Eiser betoogde dat hij in Duitsland was uitgeprocedeerd en vreest voor vervolging of onmenselijke behandeling bij uitzetting naar Pakistan. Tevens stelde hij dat hij een ‘green card’ kan verkrijgen om naar de Verenigde Staten te reizen waar zijn familie verblijft. De rechtbank oordeelde dat Duitsland verantwoordelijk is omdat eiser daar reeds een verzoek om internationale bescherming had ingediend en dat de Duitse autoriteiten het verzoek tot terugname hadden aanvaard.
De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake is van ernstige tekortkomingen in de Duitse asielprocedure die een reëel risico op onmenselijke behandeling opleveren. Ook achtte de rechtbank het niet aannemelijk dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. De stelling over de ‘green card’ was niet relevant voor de verantwoordelijkheid volgens de Dublinverordening.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.