Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2017:7720

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juli 2017
Publicatiedatum
12 juli 2017
Zaaknummer
NL17.3340
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 12 DublinverordeningArt. 28 Wet beëdigde tolken en vertalersArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens Dublinverordening en verantwoordelijkheid Italië

Eiseres, een Iraanse vrouw, diende een asielaanvraag in Nederland in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Italië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had bij Italië een verzoek tot overname gedaan dat door Italië werd aanvaard. Eiseres betwistte de verantwoordelijkheid van Italië en stelde dat zij niet met het visum naar Italië is gereisd, en dat zij niet correct is gehoord met een registertolk.

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit terecht was gebaseerd op artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening. Het visum was verstrekt en geldig, en eiseres had onvoldoende bewijs geleverd dat zij niet via Italië was binnengekomen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel werd bevestigd, en er was geen reden om aan te nemen dat Italië haar internationale verplichtingen niet nakomt of dat overdracht aan Italië onredelijk zou zijn.

Verder was het gebruik van een niet-registertolk gemotiveerd vanwege spoed, en er was geen sprake van miscommunicatie. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.3340

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.L.J.M. Wilhelmus),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.3341, plaatsgevonden op 29 juni 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is de heer S. Makarian ter zitting verschenen, als tolk.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Iraanse nationaliteit. Eiseres heeft op 13 februari 2017 een asielaanvraag ingediend.
2. De aanvraag is door verweerder niet in behandeling genomen. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.
3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiseres door de buitenlandse vertegenwoordiging van Italië te Teheran in het bezit is gesteld van een Schengenvisum, welke geldig was van 28 oktober 2016 tot 23 november 2016.
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert, samengevat, aan dat het voornemen van 9 maart 2017, om haar asielverzoek niet in behandeling te nemen, prematuur was. Het claimakkoord werd pas bij eiseres bekend in de beschikking, waardoor zij in haar belangen is geschaad. Voorts betwist zij dat het door haar verstrekte visum haar daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot het Dublin-grondgebied en dat Italië derhalve niet de verantwoordelijke lidstaat is, maar dat Nederland dat is. Eiseres voert aan dat het visum reeds ruime tijd is verlopen en dat haar paspoort door de autoriteiten van haar land van herkomst is ingenomen vanwege haar religie waardoor zij niet naar Italië kon reizen. Ook voert eiseres aan dat er ten onrechte geen gebruik is gemaakt van een registertolk tijdens het gehoor. Eiseres voert voorts aan dat er in Italië sprake is van een schrijnende situatie en dat het land de internationale verplichtingen niet nakomt. Zij is als jonge vrouw met medische klachten aan te merken als een kwetsbaar persoon. De kans dat zij in Italië toegang zal hebben tot (tijdige) zorg is volgens eiseres klein, waarbij zij verwijst naar een rapport van AIDA over Italië in 2016. Daarnaast verwijst eiseres naar een rapport van de Deense en Zwiterse vluchtelingenorganisatie van februari 2017 over het risico op schending van mensenrechten die terugkerende Dublinclaimanten lopen (hierna: het DRC-SRC rapport).
5. De rechtbank overweegt het volgende.
5.1
De rechtbank is van oordeel dat geen rechtsregel zich er tegen verzet dat verweerder een voornemen uitbrengt voordat een claimakkoord daadwerkelijk tot stand is gekomen. Ook maakt het voornemen duidelijk op welke grondslag verweerder de claim heeft gedaan bij Italië. Eiseres kon daartegen in de zienswijze dus opkomen. Daar komt bij dat relevante ontwikkelingen na een voornemen kunnen worden gewogen door verweerder en meegenomen in de besluitvorming en het besluit. Van benadeling is daarom geen sprake.
5.2
Ingevolge artikel 12, vierde lid, Dublinverordening is die lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, wanneer die lidstaat een vreemdeling één of meer visa heeft verstrekt die minder dan zes maanden zijn verlopen en die haar daadwerkelijk toegang hebben verschaft tot het grondgebied van een lidstaat, en zij het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten.
Nu aan eiseres een visum voor Italië was verstrekt met een geldigheidsduur van 28 oktober 2016 tot 23 november 2016 is Italië op grond van het vorenstaande verantwoordelijk voor de behandeling van asielverzoek van eiseres.. De Italiaanse autoriteiten zijn op grond van 12, vierde lid, Dublinverordening verzocht om eisers over te nemen. Zij hebben hiermee op 5 april 2017 ingestemd.
Er zijn geen aanknopingspunten gegeven op grond waarvan verweerder niet van de juistheid van de informatie uit EU-Vis heeft kunnen uitgaan. De stelling van eiseres, dat zij geen gebruik heeft gemaakt van haar visum om naar Nederland te reizen omdat haar paspoort, na ontvangst van het visum, in beslag is genomen door de inlichtingendienst en Europa is ingereisd met een Engels paspoort van iemand anders, is niet onderbouwd met een paspoort en/of reisdocumenten. De overgelegde stukken van een advocatenkantoor en van een ziektekostenverzekeraar zijn niet uit objectief en verifieerbare bron afkomstig. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de brief van de advocaat dat deze is opgesteld op verzoek van de moeder van eiseres en biedt de brief van de zorgverzekeraar onvoldoende uitsluitsel omtrent de vraag of eiseres aanwezig was. Voorts is van belang dat de Italiaanse autoriteiten op de hoogte zijn gesteld van de verklaring van eiseres dat zij haar visum niet zou hebben gebruikt, maar hebben zij desalniettemin ingestemd met het overnameverzoek. Nu de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij anders dan met voormeld visum is ingereisd, is verweerder er terecht van uitgegaan dat eiseres het visum heeft gebruikt om in te reizen.
5.3
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) en uit de daarin genoemde andere uitspraken van de Afdeling volgt dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om in geval van eiseres anders dan de Afdeling te oordelen.
Uit het aangehaalde AIDA-rapport blijkt evenmin dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit het rapport blijkt weliswaar dat de behandeling van een asielaanvraag in Italië lang duurt, maar hierover is beklag mogelijk bij de Italiaanse autoriteiten. Voor zover eiseres wil betogen dat het feitelijk onmogelijk is om te klagen, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de rechtshulpverlening aan Dublinclaimanten of de aanwezige rechtsbescherming zodanig slecht is dat eiseres reeds om die reden een reëel risico op ernstige schade loopt. Uit het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport blijkt niet dat dit thans anders is.
Verweerder heeft zich – met de in het besluit gegeven motivering – dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiseres aan Italië een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Eiseres heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat er bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat een overdracht aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. Uit het door eiseres overgelegde patiëntendossier leidt de rechtbank af dat eiseres kampt met medische klachten. Er zijn geen aanwijzingen waaruit blijkt dat Nederland het meest aangewezen land is om eiseres te behandelen. Voorts heeft Italië dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden als Nederland, zodat eiseres zo nodig aldaar behandeld kan worden. Het beroep op het Tarakhel-arrest kan niet slagen, nu het in deze zaak – anders dan in de onderhavige zaak – een echtpaar met minderjarige kinderen betrof.
5.4
Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij niet is gehoord door een registertolk, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 10 juli 2013 in zaak nr. 201300100/1/V4) stelt artikel 28, vierde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (wbtv), gelezen in samenhang met het derde lid, wat betreft de motivering geen andere eis aan verweerder dan dat hij de reden voor het gebruik maken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. Nu uit het ‘rapport aanmeldgehoor’ en uit het bestreden besluit blijkt dat er geen registertolk tijdig beschikbaar was, en verweerder heeft verwezen naar de vereiste spoed in de Dublinprocedure, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom hij gebruik heeft gemaakt van een niet-registertolk. Overigens is uit het aanmeldgehoor of de beroepsgronden niet gebleken dat sprake is geweest van miscommunicatie tussen eiseres en de tolk Derhalve is zij niet in haar belangen geschaad.
5.5
De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat eiseres niet wordt gevolgd in haar stelling dat zij nader had moeten worden gehoord. Daartoe is van belang dat zij tijdens het aanmeldgehoor in de gelegenheid is gesteld om relevante informatie naar voren te brengen en documenten te overleggen, en tevens in de gelegenheid is gesteld om correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor in te dienen, waarvan zij ook gebruik heeft gemaakt. Dat door verweerder in het aanmeldgehoor enkel korte vragen zijn gesteld strookt met het karakter van het Dublingehoor, dat niet tot doel heeft het boven water halen van een asielrelaas, maar strekt tot het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.

RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.