Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[verzoeker], verzoeker,
[verzoekster], verzoekster, mede namens hun minderjarige kinderen
[kind],
[kind]en
[kind],
Rechtbank Den Haag
Verzoekers, een gezin met minderjarige kinderen, deden opvolgende asielaanvragen nadat hun eerste aanvragen definitief niet in behandeling waren genomen omdat Duitsland verantwoordelijk was voor de behandeling. Zij verzochten een voorlopige voorziening om overdracht aan Duitsland te voorkomen, stellende dat zij in Duitsland in erbarmelijke omstandigheden hadden geleefd en dat hun dochter medische zorg nodig had.
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees het verzoek af, stellende dat de eerdere asielaanvragen niet-ontvankelijk waren verklaard en dat er geen nieuwe relevante elementen waren die de overdracht konden verhinderen. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de medische situatie van de dochter reeds bekend was en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel rechtvaardigt dat niet ambtshalve aan artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 wordt getoetst.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de overdracht aan Duitsland terecht kan plaatsvinden en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen overdracht aan Duitsland worden afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe relevante elementen.