ECLI:NL:RBDHA:2017:7910
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting vreemdelingenbewaring na zes maanden zonder verzwaarde belangenafweging
Eiser is op 26 november 2016 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet 2000 vanwege een mogelijke overdracht naar een andere lidstaat onder de Dublinverordening. Later is de bewaring gewijzigd naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000, in verband met een asielaanvraag. De rechtbank heeft eerder eerdere beroepen tegen de bewaring ongegrond verklaard, maar nu is beroep ingesteld tegen de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel.
De kern van het geschil betreft de vraag of de gehele periode van vreemdelingenbewaring, inclusief de bewaring onder artikel 59a en 59b, moet worden meegenomen bij de belangenafweging van zes maanden. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte de eerste perioden buiten beschouwing laat, waardoor geen verzwaarde belangenafweging is gemaakt. Verweerder baseert zich op beleid waarin deze perioden niet worden meegerekend.
De rechtbank overweegt dat de gehele periode als één aaneengesloten vrijheidsbeneming moet worden beschouwd en dat na zes maanden het belang van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld zwaarder weegt dan het belang van bewaring. Het beleid van verweerder om perioden onder 59a en 59b buiten beschouwing te laten, wordt verworpen. De belangenafweging van 2 juni 2017 is onvoldoende als verzwaarde belangenafweging. De voortzetting van de bewaring na 25 mei 2017 is onrechtmatig en wordt onmiddellijk opgeheven.
Daarnaast kent de rechtbank een schadevergoeding toe van € 80 per dag verblijf in bewaring, totaal € 2.080, en veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 990. De uitspraak is definitief en hoger beroep is uitgesloten.
Uitkomst: De rechtbank beveelt onmiddellijke opheffing van de vreemdelingenbewaring en kent een schadevergoeding toe.