ECLI:NL:RBDHA:2017:7913

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2017
Publicatiedatum
17 juli 2017
Zaaknummer
NL17.2676
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 32 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende op 12 april 2017 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling, aangezien eiser eerder in Frankrijk een asielaanvraag had ingediend.

Eiser voerde aan dat overdracht aan Frankrijk onredelijk zou zijn vanwege psychische problemen, waaronder depressie en suïcidale uitlatingen, veroorzaakt door trauma’s in Frankrijk. De rechtbank oordeelde echter dat eiser deze medische beperkingen onvoldoende had onderbouwd met concrete stukken.

De rechtbank stelde dat, indien medische beperkingen aanwezig zijn, verweerder bij overdracht informatie zal verstrekken aan Frankrijk over deze klachten. Het uitgangspunt is dat medische voorzieningen in Frankrijk vergelijkbaar zijn met die in Nederland en beschikbaar voor Dublinclaimanten. Eiser slaagde er niet in dit uitgangspunt te weerleggen.

Daarom zag verweerder geen aanleiding om de asielaanvraag zelf te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.2676
V-nummer: [nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

gemachtigde: mr. A. Greve-Kortrijk,
en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

gemachtigde: mr. L. van Es.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.2677, plaatsgevonden op 22 juni 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Eiser is van Algerijnse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 12 april 2017 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 20 april 2017 heeft verweerder een terugnameverzoek ingediend bij Frankrijk op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Frankrijk heeft met de claim ingestemd op 3 mei 2017. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor eisers asielaanvraag.
2. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers aanvraag voor een asielvergunning voor bepaalde tijd omdat eiser eerder in Frankrijk een asielaanvraag heeft ingediend.
3. Eiser heeft aangevoerd dat overdracht aan Frankrijk in dit geval van een onevenredige hardheid getuigt. Hij stelt zich op het standpunt dat sprake is van medische beperkingen gelegen in psychische problemen. Er is sprake van depressie en suïcidale uitlatingen door trauma’s die hij heeft opgelopen in Frankrijk. Deze beperkingen verzetten zich tegen overdracht aan Frankrijk, aldus eiser.
4. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat gesteld noch gebleken is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft zijn gestelde medische beperkingen niet nader onderbouwd. Wanneer er wel sprake is van medische beperkingen geldt dat verweerder bij overdracht aan Frankrijk, overeenkomstig artikel 32 van Pro de Dublinverordening, informatie zal verstrekken over eiser, waaronder de gestelde medische klachten en suïcideproblematiek. Als uitgangspunt geldt dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan zogeheten Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in dit geval niet opgaat. Eiser is hierin niet geslaagd, alleen al omdat hij geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van die stelling. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.