Uitspraak
b) voor het product als geneesmiddel een van kracht zijnde vergunning voor het in de handel brengen is verkregen overeenkomstig Richtlijn 2001/83/EG of Richtlijn 2001/82/EG, naargelang van het geval;
c) voor het product niet eerder een certificaat is verkregen;
d) de onder b) genoemde vergunning de eerste vergunning is voor het in de handel brengen van het product als geneesmiddel.
Part One:Broad outline of the proposal for a Regulation
Part Two: Examination of the provisions
Article 3
de eerste fase uit 2 tot 4 dagdosiseenheden bestaat, waarbij elke dagdosiseenheid uitsluitend natuurlijke oestrogenen als werkzame stof bevat, een tweede fase uit 2 groepen dagdosiseenheden van een combinatie uit minstens één natuurlijk oestrogeen en minstens één synthetisch of natuurlijk progestageen bestaat, waarbij de eerste groep gevormd wordt uit 5 tot 3 dagdosiseenheden en de tweede groep uit 17 tot 13 dagdosiseenheden, een derde fase uit 2 tot 4 dagdosiseenheden bestaat, waarbij elke dagdosiseenheid uitsluitend natuurlijke oestrogenen als werkzame stof bevat, waarbij de dagdosiseenheid van natuurlijk oestrogeen binnen de fasen constant blijft, echter van fase 1 naar fase 3 daalt, en het aandeel aan synthetisch of natuurlijk progestageen in de tweede groep van de tweede fase het aandeel in de eerste groep te boven gaat, en een volgende fase uit 2 tot 4 dagdosiseenheden bestaat, waarbij elke dagdosiseenheid een farmaceutisch aanvaardbaar placebo bevat.
(…)
.Het Neurim-arrest maakt dat volgens verweerder niet anders omdat het Hof van Justitie de prejudiciële vraag in dat arrest heeft geherformuleerd tot een beperkte rechtsvraag in de specifieke context van het dossier, te weten de situatie waarin de eerste handelsvergunning was afgegeven voor een diergeneesmiddel. De betekenis van het dictum moet derhalve geacht worden te zijn beperkt tot die specifieke, thans niet aan de orde zijnde situatie. Een ruimere uitleg van het Neurim-arrest zou zich niet verdragen met de bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit de toelichting op de Verordening, noch met de eerdere jurisprudentie van het Hof. Van belang daarbij is aldus nog steeds verweerder, dat het Hof niet uitdrukkelijk afstand heeft genomen van de eerdere lijn zoals in de zaak Yissum, wat bij een principiële koerswijziging wel voor de hand zou hebben gelegen. Een ruime uitleg zou ook een aanzienlijk stijging tot gevolg hebben van het aantal certificaten met substantiële gevolgen voor de geneesmiddelenmarkt.
ofdiergeneeskundig gebruik”, vet en onderstreping toegevoegd, rb) en de volzin uit overweging 26, volgt dat de mogelijkheid om een ABC te verkrijgen voor een door een octrooi beschermde nieuwe therapeutische toepassing van een bekende werkzame stof die reeds als geneesmiddel is verhandeld, zich volgens het Hof ook uitstrekt tot de situatie dat de eerdere handelsvergunning ziet op humaan gebruik van dat geneesmiddel. De rechtbank merkt overigens op dat ten aanzien van die nieuwe therapeutische toepassing ook geen beperking ten aanzien van diergeneeskundig en/of humaan gebruik in genoemde overwegingen kan worden gelezen (verweerder heeft dat ook niet gesteld). De conclusie is dat verweerders interpretatie van het Neurim-arrest onjuist is. De omstandigheid dat het Hof van Justitie zich niet expliciet heeft uitgelaten over de verhouding van het Neurim-arrest tot eerdere jurisprudentie, waarin het begrip ‘product’ in strikte zin is uitgelegd, maakt het voorgaande niet anders.