ECLI:NL:RBDHA:2017:8100
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-verwijtbare boedelachterstand
Schuldenares is in 2014 onder de schuldsaneringsregeling geplaatst. De bewindvoerder verzocht in november 2016 om tussentijdse beëindiging van deze regeling wegens niet-nakoming van verplichtingen door schuldenares.
Tijdens de zittingen in januari en juni 2017 werd vastgesteld dat de boedelachterstand grotendeels voortkomt uit een eenmalige betaling van nabestaandenpensioen die door de budgetbeheerder werd gebruikt voor vaste lasten. Schuldenares beschikte in die periode niet over inkomen en leefde van een gering leefgeld. Een nabetaling van een uitkering werd deels gereserveerd en zal worden overgemaakt naar de boedelrekening.
De rechtbank oordeelt dat schuldenares geen verwijt treft voor de boedelachterstand. Ook haar sollicitatie-inspanningen, ondanks medische beperkingen en het overlijden van haar echtgenoot, zijn onvoldoende om de regeling tussentijds te beëindigen. De rechtbank ziet geen reden tot verlenging van de regeling en wijst het verzoek tot beëindiging af.
Uitkomst: Het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat de boedelachterstand niet aan schuldenares te wijten is.